Periode 3 les 2

1 / 28
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolvmbo t, mavoLeerjaar 3

This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 40 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Devoirs

  • Kijk tâche 1 eerst na voor je verder gaat.
  • Maak tâche 2
  • Vul je Quizlet of WRTS aan 'mon style' en neem alle woorden van vocabulaire 2 over
  • Leesopdrachten
  • Schrijfopdrachten
  • Luisteropdrachten
  • Grammatica: bijvoeglijk naamwoord

Slide 2 - Slide

Tu achètes tes vêtements...
en ligne
dans les magasins

Slide 3 - Poll

Tu préfères
le jean
le survêtement

Slide 4 - Poll

A. Adorer
B. Détester
C. Aimer
D. Préferer
Houden van
Liever hebben/voorkeur
Dol zijn op
Een hekel hebben aan

Slide 5 - Drag question

Aimer, détester, préférer, adorer
  • altijd met bepaald lidwoord: le, la , l', les
  • ook na een ontkenning
J'aime les vêtements vintage
Je n'aime pas les vêtements de marque

Slide 6 - Slide

Aimer, détester, préférer, adorer
Stam + uitgang
je déteste                ik heb een hekel aan
tu détestes              jij hebt een hekel aan
il, elle, on déteste     hij, zij, men (wij) heeft een hekel aan
nous détestons        wij hebben een hekel aan
vous détestez          jullie hebben een hekel aan, u heeft...
ils, elles détestent    zij hebben een hekel aan

Slide 7 - Slide

Hoe zeg je dat je van petten houdt?
A
J'aime casquettes
B
J'aime des casquettes
C
J'aime les casquettes
D
J'aimes les casquettes

Slide 8 - Quiz

Hoe zeg je dat 'zij houden van sportschoenen'
A
Ils aiment baskets
B
Ils aiment des baskets
C
Ils aime les baskets
D
Ils aiment les baskets

Slide 9 - Quiz

Slide 10 - Slide

Welke bijvoeglijke naamwoorden behalve 'petit' ken je?

Slide 11 - Open question

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Slide

Chanson
Bon - beau - joli - gros - jeune - haute - nouveau - long - petit - grand - vieux - mauvais - autre - tralalalalala

Slide 16 - Slide

1 Il y a deux _____________ garçons _____________ dans la classe.        -->  

2 Vous arrivez dans une _____________ zone _____________ .                -->             

3 J'ai reçu un _____________ cadeau _____________ de ma copine.     -->  

4 Ce sont des pulls pour des _____________ hommes ____________.  -->  

5 Tu préfères les _____________ robes _____________?                             -->  

6 Fabienne est une _____________ fille _____________.                            -->  

Plaats van het bijvoeglijk naamwoord : Voor of achter? Sleep het woord achter de zin naar de goed plek.
nouveaux
dangereuse
joli
vieux
bleues
jeune

Slide 17 - Drag question

Slide 18 - Slide

Hoe zeg je: De witte jurk
A
La robe blanche
B
La blanche robe
C
Le blanc robe
D
Le robe blanc

Slide 19 - Quiz

L'adjectif - bijvoeglijk naamwoord
Nog twee dingen die je moet onthouden:
1) Bijvoeglijk naamwoord op - x  wordt -se voor vrouwelijk
par exemple: le garçon heureux, la fille heureuse
2) Bijvoeglijk naamwoord op -f wordt -ve voor vrouwelijk
par exemple: l'homme sportif, la femme sportive

Slide 20 - Slide

Hoe zeg je: het is een actief meisje.
A
C'est une fille actif
B
C'est une fille active
C
C'est une active fille
D
C'est une actif fille

Slide 21 - Quiz

Beschrijf deze auto (blauw, klein)

Slide 22 - Open question

Beschrijf deze auto (groot en groen)

Slide 23 - Open question

Beschrijf de auto (wit en sportief)

Slide 24 - Open question

Qu'est-ce que c'est?

Slide 25 - Open question

Qu'est-ce que c'est?

Slide 26 - Open question

Qu'est-ce que c'est?

Slide 27 - Open question

Devoirs

  • Maak alle taken en kijk na
  • Leer opnieuw de vocabulaire en de zinnen
  • Oefen de grammatica
  • http://www.nufransleren.nl/grammatica-Frans-oefeningen.html

Slide 28 - Slide