Woordvolgorde

Uitleg woordvolgorde
1 / 14
next
Slide 1: Slide
NT2Middelbare schoolvmbo lwooLeerjaar 4

This lesson contains 14 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Uitleg woordvolgorde

Slide 1 - Slide

Zinsdelen
De studenten / willen / vanmiddag/ een ijsje / kopen / op de markt.

Vanmiddag/ willen / de studenten / een ijsje / kopen / op markt.

Willen / de studenten / vanmiddag / op de markt / een ijsje / kopen?

Slide 2 - Slide

Woordvolgorde - hoofdzin (main clause)
Rule 1: Verb comes in second place.
Rule 2: Extra verbs will go to the end of the sentence.
Rule 3: Only in questions and commands can the verb come first.
Rule 4: Time can come in either third or first place.

Voorbeelden:
Ik heb vandaag een appel gegeten en de appel was niet lekker. - (2 hoofdzinnen)
Vandaag heb ik een appel gegeten maar de appel was niet lekker. - (2 hoofdzinnen)

Slide 3 - Slide

General rule
After a main clause (hoofdzin), when we start a sentence with any other conjunction than Want - Of - Dus - En - Maar (WODEM), a subordinate clause (bijzin) follows. In the subordinate clause (bijzin), all verbs are at the end.
  

Bijvoorbeeld:
Ik eet graag boterhammen omdat ze lekker zijn.
Ik kijk graag televisie terwijl ik een boterham eet.
Ik eet graag boterhammen en ik kijk graag televisie.

Slide 4 - Slide

Hij
klimmen
hij
gaat
dit weekend

Slide 5 - Drag question

zij 
zijn 
aan 
het 
eten

Slide 6 - Drag question

het
lezen
aan 
is
hij

Slide 7 - Drag question

In maart 
we
zijn
In maart
naar Eindhoven
gegaan

Slide 8 - Drag question

Zij
worden
zij
kapster
wil

Slide 9 - Drag question

hij
Arabisch
en Nederlands
spreekt

Slide 10 - Drag question

Vrijdag
vrijdag
hebben
we
gespeeld.
een spelletje

Slide 11 - Drag question

Schrijf goed op, denk aan Wodem:
Want - Of - Dus - En - Maar
  1. Ik fiets naar school, want / gezond / het /  is
  2. Ik fiets naar school, omdat / gezond  / het /  is
  3. Ik fiets naar school, zodat / gezond / ik / blijf 
  4. Ik fiets naar school, maar / soms / met de auto / ik / ga
  5. Ik fiets naar school, als / zin / ik / heb

Slide 12 - Slide

Schrijf op...antwoorden,  denk aan Wodem:
Want - Of - Dus - En - Maar
Ik fiets naar school, want het is gezond
Ik fiets naar school, omdat het gezond is
Ik fiets naar school, zodat ik gezond blijf
Ik fiets naar school, maar ik ga soms met de auto
Ik fiets naar school, als ik zin heb

Slide 13 - Slide

Meer oefenen?
https://wordwall.net/nl/resource/9748070/woordvolgorde
https://wordwall.net/nl/resource/17720439/woordvolgorde-bijzin
https://wordwall.net/nl/resource/58396021/voegwoorden-2x-hoofdzin-want-maar-en-of-dus



Slide 14 - Slide