§1.2 Botsen en druk #4

§1.2Fasen             §1.2 Druk
De allerkleinste deeltjes van een stof


Welkom! Log in in LessonUp
1 / 25
next
Slide 1: Slide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Items in this lesson

§1.2Fasen             §1.2 Druk
De allerkleinste deeltjes van een stof


Welkom! Log in in LessonUp

Slide 1 - Slide

Meenemen deze les:
Maagdenburger bollen
Vacuümpomp
evt:
Soldeerbout en Tin
Kaars en kaarsvet

Slide 2 - Slide

Basis
  • Je kunt uitleggen wat er met moleculen gebeurt bij een faseovergang
  • Je kunt uitleggen hoe je verdampen kunt versnellen
  • Je kunt het verschil uitleggen tussen een chemisch en natuurkundig proces
Kader
  • Je kunt uitleggen hoe druk ontstaat.

  • Je kunt de druk berekenen.
  • Je kunt de druk meten.

Slide 3 - Slide

Verdampingssnelheid

Slide 4 - Slide

Verdampen
Verdampen versnel je door:
  • temperatuur te verhogen
  • vochtige lucht af te voeren
  • oppervlakte te vergroten


Slide 5 - Slide

Slide 6 - Link

Maagdenburger halve bollen

Slide 7 - Slide

luchtdruk vs. vacuüm

Slide 8 - Slide

Basis
maken blz 18 en verder:
vraag 1 t/m 15
Kader

Verlengde uitleg over druk
Zelfstandig werken.
Heb je vragen? Check je boek eerst op antwoorden.

Slide 9 - Slide

Gasdruk
Bron 1 
In de spuitbus botsen de moleculen van het gas steeds met hoge snelheid tegen elkaar en tegen de binnenkant van de bus. Dat veroorzaakt druk.

Slide 10 - Slide

Luchtdruk & hoogte

Slide 11 - Slide

Luchtdruk
Bron 3 
De luchtdruk is de kracht die het gewicht van een luchtkolom op 1 m2 uitoefent.

op 1 m2 drukt het gewicht van 10 000 kg lucht. 
Dat is op 1 cm2 (duimnagel) 10 kg (!)

Slide 12 - Slide

Basis
  • Je kunt uitleggen wat er met moleculen gebeurt bij een faseovergang
  • Je kunt uitleggen hoe je verdampen kunt versnellen
  • Je kunt het verschil uitleggen tussen een chemisch en natuurkundig proces
Kader
  • Je kunt uitleggen hoe druk ontstaat.

  • Je kunt de druk berekenen.
  • Je kunt de druk meten.

Slide 13 - Slide

Maken (KB)
blz. 21 t/m 25
Opgave 1 t/m 12

10 minuten hiervoor. 
Daarna uitleg over rekenen met formule Druk

timer
10:00
Zelfstandig werken.
Heb je vragen? Check je boek eerst.
Na de timer bespreken we vragen.

Slide 14 - Slide

Druk = kracht per oppervlakte
Noteer onderstaande tabel in je aantekeningen (blz 29)
Grootheid
Symbool
Eenheid
Symbool

Slide 15 - Slide

Druk berekenen
Druk=oppervlaktekracht
P=AF

Slide 16 - Slide

Log ondertussen in in LessonUp

Slide 17 - Slide

Slide 18 - Slide

Een kracht van 450N drukt op een oppervlakte van 2,3 m2. Bereken de druk.
(gebruik de 5 stappen)

Slide 19 - Open question

De eenheid van druk is:
A
Pa
B
N/m2
C
g/cm3
D
Ni

Slide 20 - Quiz

Als de oppervlakte groter wordt, wordt de druk ook groter.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 21 - Quiz

Wat is de afkorting voor druk?
A
P (hoofdletter)
B
p (kleine letter)
C
F (hoofdletter)
D
f (kleine letter)

Slide 22 - Quiz

Hoe bereken je de druk
A
oppervlakte x massa
B
oppervlakte x kracht
C
massa : oppervlakte
D
kracht : oppervlakte

Slide 23 - Quiz

Als je verder van de aarde gaat
A
wordt de druk groter
B
verander de druk niet
C
wordt de druk kleiner

Slide 24 - Quiz

Basis
maken blz 18 en verder:
vraag 1 t/m 15
Kader
maken blz 23 en verder:
vraag 1 t/m 15
9 overslaan

Slide 25 - Slide