56V futur simple/ conditionnel

Futur Simple VS Conditionnel
Herhalen van de futur en de conditionnel
Hoe je het moet maken en wanneer je het moet gebruiken

1 / 24
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Futur Simple VS Conditionnel
Herhalen van de futur en de conditionnel
Hoe je het moet maken en wanneer je het moet gebruiken

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Let op:
Bij werkwoorden die op -re eindigen, haal je de laatste -e weg voor je de uitgang plaatst.
Dus: Apprendre -  Nous apprendrons
perdre- elle perdra

Slide 6 - Slide

Uitzonderingen
Regelmatige ww: heel ww + uitgang van futur simple
Onregelmatige ww: stam+ uitgang van futur simple
De stammen van de volgende ww leer je uit je hoofd:
être
ser
avoir
aur
faire
fer
aller
ir
pouvoir
pourr
vouloir
voudr

Slide 7 - Slide

Wanneer gebruik je de conditionnel en wat is het voor tijd?
  • om je beleefd uit te drukken
  • bij een voorwaarde of veronderstelling
  • in het Nederlands gebruik je zou/zouden

Achter het hele werkwoord(net als de futur simple) zet je de uitgangen van de imparfait
ais,ais,ait,ions, iez, aient
Dus: Je voudrais réserver une table = Ik zou graag een tafel willen reserveren

Slide 8 - Slide

Dus!!!!
De futur(toekomende tijd)
Hele werkwoord + ai,as,a,ons,ez,ont 
je donnerai =  ik zal geven


Conditionnel ( de verleden toekomende tijd)
Net als de futur maar dan met als uitgang de vormen van de imparfait
je donnerais = ik zou geven 
Kijk voor de vormen op je (nieuwe) werkwoordenblad

Slide 9 - Slide

Let op! Si + voorwaarde
Bij zinnen die beginnen met si (als), en dus een voorwaarde aangeven, gebruik je verschillende tijden in hoofd- en bijzin. 
Als si gevolgd wordt door een présent, dan gebruik je in de hoofdzin de futur simple.
Als si gevolgd wordt door de imparfait, dan gebruik je in de hoofdzin de conditionnel.

Slide 10 - Slide

Voorbeeld 
Si tu pars en vacances, tu devras peut-être prendre l'avion.

Si je gagnais au lotto, j'arrêterais de travailler.

Slide 11 - Slide

Wat is de stam van regelm. ww op ER & IR in de futur en conditionnel?
A
WW min ER / IR
B
Nous-vorm van de présent min ONS
C
Hele ww (infinitif)

Slide 12 - Quiz

(Voorkennis activeren)
Wat zijn de uitgangen van de conditionnel? (schrijf het rijtje met een streepje ertussen)

Slide 13 - Open question

Wat zijn de uitgangen van de futur simple?
A
ais/ais/ait/ions/iez/ aient
B
ai/as/a/ons/ez/ont
C
ai/as/a/ions/iez/aient
D
ais/ais/ait/ons/ez/ont

Slide 14 - Quiz

Conjugue: Tu _____ (parler - futur)
A
parlas
B
parlais
C
parleras
D
parlerais

Slide 15 - Quiz

Conjugue: Nous ______ (vendre - cond.)
A
vendreions
B
vendrons
C
vendrerions
D
vendrions

Slide 16 - Quiz

Il ________ (finir - cond)

Slide 17 - Open question

(verbes irréguliers)
Relie le verbe avec l'infinitif
Avoir
être
aller
faire
voir
pouvoir
vouloir
J'aurais
Tu serais
Nous irions
ils feraient
vous verriez
on pourrait
je voudrais

Slide 18 - Drag question

Conjugue: Ils _____ (avoir - futur)
A
auront
B
avraient
C
auraient
D
avoiront

Slide 19 - Quiz

Traduis: wij zouden doen (faire)

Slide 20 - Open question

Conjugue: Tu _____ (être - cond)
A
êtrais
B
serais
C
étais
D
sera

Slide 21 - Quiz

Traduis: J'aurai

Slide 22 - Open question

In welke 3 gevallen gebruik je de conditionnel in het Frans?

Slide 23 - Open question

Waarom klopt dit NIET?
Si tu fais du sport, tu serais en bonne santé.

Slide 24 - Open question