Psycholinguïstiek

Psycholinguïstiek
1 / 60
next
Slide 1: Slide
NederlandsSecundair onderwijs

This lesson contains 60 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Psycholinguïstiek

Slide 1 - Slide

Wat was jouw eerste woordje en hoe oud was je?

Slide 2 - Open question

Welke fouten maken peuters weleens op vlak van taal?

Slide 3 - Open question

Welke grappige, rare, vreemde... woorden gebruikte je als kind?

Slide 4 - Open question

Voorbeeld babytaal

Slide 5 - Slide

Voorbeelden peutertaal
Raad het woord

Slide 6 - Slide

Man over woord: brabbelen

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Link

William Labov - The fourth floor

Slide 9 - Slide

Alinealezen + samenvatten
Tel de alinea's
Lees de alinea die bij jouw klasnummer hoort in stilte
Daarna in paar zinnen samenvatten voor klas

Slide 10 - Slide

1.
2.
3.
4.
Differentiatiefase
Prelinguale fase
Voltooiingsfase
Vroeglinguale fase

Slide 11 - Drag question

Opdracht 4b

Slide 12 - Slide

Prelinguale fase
=fase tot 1ste woordje
-Vanaf 7m: brabbelen
-1st: vaste klank voor voorwerpen + gebaren
-Brabbelen --> woorden

Slide 13 - Slide

Vroeglinguale fase
=vanaf 1ste woordje
-1 jaar = woorden 1 lettergreep (naan)
-éénwoordsfase
*overextensie: "alle dieren = koe"
*onderextensie: "enkel eigen hond = hond"
-1,5 jaar-2jaar: telegramzinnetjes ("papa eten")
-Vanaf 2,5j: meerwoordfase + overgeneralisatie(klimde)

Slide 14 - Slide

Differentiatiefase
=2,5j-4j
-langere zinnen
-uitbreiding woordenschat
-congruentie
...

Slide 15 - Slide

Voltooiingsfase
=5j-9j
-puntjes op de 'i'

Slide 16 - Slide

Opdracht 5: baby
-communiceren via huilen
-binnenkort klinkers = vocaliseren
=prelinguale fase

Slide 17 - Slide

Opdracht 5: peuter
-telegramzinnetjes
=vroeglinguale fase

Slide 18 - Slide

Opdracht 5: kleuter
-meer inzicht in taal (blauwe moet bovenaan)
-kent dus concepten als kleuren
=differentiatiefase

Slide 19 - Slide

Opdracht 6
-1,5 tot 2,5j: holofrasen + telegramzinnen
-'mama' = aandacht trekken
-moeder: in interactie
*biedt aan; toont + benoemt
*herhaling!

Slide 20 - Slide

Opdracht 7

Slide 21 - Slide

Opdracht 7a
Linguaal = met betrekking tot de taal. 
Prelinguaal = voor de echte taal. 
Vroeglinguaal = in het begin van de taal. 
Denk ook aan ‘lingua franca’ (voertaal).

Slide 22 - Slide

Opdracht 7b
De situatie op het moment dat het kind spreekt, de context dus, en de intonatie van het kind helpen je op weg om de juiste betekenis aan taaluitingen van kinderen te geven. 

Slide 23 - Slide

Opdracht 7c
Bij overgeneralisatie wordt de regel in alle gevallen toegepast, ook waar dat niet moet. De regel wordt dus te algemeen toegepast. Zo leert een kind dat ‘-en’ een meervoudsvorm is (één bank, twee banken) en past het die regel in het algemeen (verkeerdelijk) toe (één ‘vark’, twee ‘varken’).

Slide 24 - Slide

Opdracht 7d
Een neologisme is een nieuw woord, vergelijkbaar met wat kinderen doen bij de vorming van eigen woorden voor zaken die ze niet kennen, zoals ‘pittenhok’ voor klokhuis. Deze creatievere vorm van taalgebruik komt typerend voor vanaf de differentiatiefase. 

Slide 25 - Slide

Blauwe kader
Filmpje

Slide 26 - Slide

Theorie opdracht 8
Reductie
medeklinkers/onbeklemtoonde lettergrepen weg
allemaal --> amaal
boekentas --> boetas


Slide 27 - Slide

Theorie opdracht 8
Reduplicatie
eerste/beklemtoonde lettergreep herhalen
Koeken --> koekoe

Slide 28 - Slide

Theorie opdracht 8
Gliding
l of r worden j of w
vliegtuig --> vjiegtuig
broer --> bjoej

Slide 29 - Slide

Theorie opdracht 8
Fronting
s-klank wordt f-klank
k-klank wordt t-klank
Kaas --> taas
Kameel --> tameel

Slide 30 - Slide

Theorie opdracht 8
Assimilatie
bepaalde medeklinkers gelijkaardig/hetzelfde uitspreken
moeke --> moeme
voke --> koke
iedereen --> ieneneen

Slide 31 - Slide

Opdracht 8

Slide 32 - Slide

Opdracht 10A
=kinderen die opgroeien zonder of met weinig menselijk contact, bijvoorbeeld door verwaarlozing. 

Aangezien ze onvoldoende taalaanbod krijgen aangereikt en er weinig of geen interactie met hen is, krijgen ze ook op latere leeftijd de taal niet meer op moedertaalniveau aangeleerd.

Slide 33 - Slide

Opdracht 10b
Mowgli van The Jungle Book
Tarzan
...

Slide 34 - Slide

Opdracht 10c
Het stelt taalwetenschappers in staat om het verband tussen opvoeding en taalontwikkeling te bestuderen. Welke taal ontwikkelen zulke kinderen en kunnen ze nog een taal aanleren als ze weer in de ‘beschaving’ komen? Ook de vraag of taal aangeboren is (nature) of een kwestie van opvoeding is (nurture) komt hier aan bod. 

Slide 35 - Slide

Slide 36 - Link

Opdracht 13: expertengroepen
TIMING
5 min: uitleg opdracht
20 min: brainstorm in groep + visualisatie (uploaden!)
10 minuten: verdeling in nieuwe groepen + overdracht info

Slide 37 - Slide

Opdracht 13
*In 4 groepen: elke groep ander thema
*Later: 1 persoon elke groep in een nieuwe groep
==> info uitwisselen op creatieve manier
==> info = leerstof! 

Slide 38 - Slide

6DGBW: expertengroepen
Groep 1: Gijs, Daan, Isabeau, Gus
Groep 2: Salina, Thijs, Lars
Groep 3: Ibe, Elyza, Jasper, Brent
Groep 4: Jeff, Wiebe, Thomas, Flo

Slide 39 - Slide

6DGBW: stamgroepen
Groep 1: Gijs, Salina, Ibe & Jeff
Groep 2: Daan, Thijs, Jasper & Wiebe
Groep 3: Lars, Brent, Thomas & Flo

Slide 40 - Slide

6WZW1: expertengroepen
Groep 1: Fé, Renée, Lenthe, Billie
Groep 2: Elien, Lander, Jeroen, Frie
Groep 3:  Fie, Liese, Manou
Groep 4: Lina, Truus, Brechje

Slide 41 - Slide

6WZW1: stamgroepen
Groep 1: Fé, Renée, Frie, Fie, Lina
Groep 2: Lenthe, Lander, Manou, Brechje
Groep 3: Billie, Jeroen, Liese, Truus

Slide 42 - Slide

6WZW2: expertengroepen
Groep 1: , Free, Sylke
Groep 2: Julie, Lana, Charl, 
Groep 3: Romee, Adam, Lieke
Groep 4: Faye, Tille, Jaan

Slide 43 - Slide

6WZW2: stamgroepen
Groep 1: Charl, Faye, Romee, Lieke, Sylke
Groep 2: Lana, Julie, Jaan, Tille, Adam, Free

Slide 44 - Slide

Eens of oneens?
Neem een groen en rood voorwerp.

Slide 45 - Slide

Elk kind kan makkelijk verschillende talen tegelijk leren.

Slide 46 - Slide

Oneens
Het klopt dat het kan, maar het is niet gemakkelijk: bij twee- of meertalig opvoeden duurt het langer voor het kind de taal beheerst.

Slide 47 - Slide

Als ouder help je je kind best door je kind in het Nederlands op te voeden.

Slide 48 - Slide

Eens/oneens
Je spreekt het best de moedertaal (of dat nu het Nederlands of een andere taal is) zodat het centrale kennisreservoir maximaal wordt uitgebouwd. 

Slide 49 - Slide

Tweetaligen zijn niet in staat om één taal uitstekend te beheersen. 

Slide 50 - Slide

Oneens
Ze zijn ertoe in staat, maar tweetaligen hebben wel meer moeite om tot een woord te komen, omdat ze twee taalsystemen in hun hoofd hebben.

Slide 51 - Slide

Een kind moet één taal goed beheersen voor het een andere kan leren.

Slide 52 - Slide

Oneens
Simultane taalverwerving kan ook.

Slide 53 - Slide

Tweetaligen hebben een beter inzicht in hoe talen in elkaar zitten. 

Slide 54 - Slide

Eens
Ze kunnen sneller en beter nadenken over taal (metalinguïstisch taalvermogen) dan anderen.

Slide 55 - Slide

De houding van de maatschappij ten aanzien van de thuistaal heeft een invloed op de eigenwaarde en identiteit van het kind.

Slide 56 - Slide

Eens
Taal moet worden gestimuleerd.

Slide 57 - Slide

Andere talen leren gaat ten koste van de kennis van het Nederlands.

Slide 58 - Slide

Oneens
Alle talen krijgen een plaats in het centrale kennisreservoir.

Slide 59 - Slide

Nog meer weten?
Alle teksten groepswerk staan op Smartschool > Documenten > deel 1. 

Slide 60 - Slide