4T H3 Taalverzorging

4T H3 Taalverzorging
1 / 43
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 4

This lesson contains 43 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

4T H3 Taalverzorging

Slide 1 - Slide

Deze week:

- Les 1 H2 oefentoetsje  + H3 Spelling
- Les 2 H3 werkwoordspelling en formuleren
- Les 3 Poëzie en fictie: A De Tweede Wereldoorlog

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Antwoorden oefentoetsje

1 (T) 1pt Met een museumjaarkaart kun je bij de kassa zo doorlopen.
2 (T) 2x1pt Dit jaar bezoeken wij onze Zuid-Afrikaanse vrienden en volgend jaar komen zij hiernaartoe.
3 (T) 2x1pt Voor de goededoelenactie gaf Maurice een pianoconcert.
4 (T) 2x1pt Sam en Lot hebben samen tweeduizend zestig euro ingezameld.

5 (T) 2x1pt wordt, vind
6 (T) 2x1pt bleven, toelichtte
7 (T) 2x1pt probeerden, schoten
8 (T) 2x1pt beweert, geoefend

9 (T) 1pt a Morgen kom ik wat later op mijn werk, want ik moet eerst naar de tandarts.

10 (T) 1pt Kletsnat kwamen de fietsers thuis en ze gingen zich meteen omkleden.
11 (T) 1pt Nadat het concert was afgelopen, wilden sommige fans met de bandleden op de foto.
12 (T) 1pt We verzamelen al om acht uur, omdat we de trein willen halen.

 Totaal: 19 punten 
 

Slide 4 - Slide

Hoofdstuk 3 Lesdoelen: 
Spelling: Ik kan samenstellingen met tussenletters goed spellen (p. 90/91)
Werkwoordspelling: Ik kan werkwoordsvormen waaraan je niet kunt horen hoe ze worden geschreven goed spellen. (p. 92/93)
Formuleren: Ik kan verwijswoorden op een goede manier gebruiken. (p. 94/95)

Slide 5 - Slide

Noteer een samenstelling

Slide 6 - Mind map

Bij een samenstelling zijn twee of meer bestaande woorden aan elkaar geplakt. Soms moet je tussenletters gebruiken om een goede samenstelling te maken.
Bladzijde 
90

Slide 7 - Slide

Regel tussenletter(s) -en-

Als het eerste woord alleen een meervoud heeft op -en:

bananenschil, paardensport


Slide 8 - Slide

Regel tussenletter(s) -e-

  • Als het eerste woord gaat over iets waar er maar één van is: zonnecel, maneschijn
  • Als het eerste woord een versterkende betekenis heeft: retegoed, reuzegroot
  • Als het eerste woord (ook) een meervoud heeft op -s: gemeenteraad, stageplaats
  • Als het woord geen meervoud kent: rijstepap
  • Als het eerste woord geen zelfstandig naamwoord is: huilebalk



Slide 9 - Slide

Regel tussenletter(s) -S-

- Als je de -s- hoort en als de -s- in dezelfde soort samenstellingen ook voorkomt:

mijnwerkerslamp   ->    mijnwerkersstaking

stadstuin   ->    stadscentrum



maar geen tussenletter -s-:

voetbaltraining   ->   voetbalsupporter



Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

Welke regel is van toepassing?

brekebeen
A
Het eerste deel gaat over iets waarvan er echt maar één is
B
Het eerste deel heeft behalve een meervoud op -en ook een meervoud op -s
C
Het eerste deel heeft een versterkende betekenis
D
Het eerste deel is geen zelfstandig naamwoord

Slide 12 - Quiz

Welke regel is van toepassing?

zonnepaneel
A
Het eerste deel gaat over iets waarvan er echt maar één is
B
Het eerste deel heeft behalve een meervoud op -en ook een meervoud op -s
C
Het eerste deel heeft een versterkende betekenis
D
Het eerste deel heeft alleen een meervoud op -en

Slide 13 - Quiz

Welke regel is van toepassing?

kattenbak
A
Het eerste deel heeft geen meervoud
B
Het eerste deel heeft behalve een meervoud op -en ook een meervoud op -s
C
Het eerste deel heeft een versterkende betekenis
D
Het eerste deel heeft alleen een meervoud op -en

Slide 14 - Quiz

Welke regel is van toepassing?

tarwekorrel
A
Het eerste deel heeft geen meervoud
B
Het eerste deel heeft behalve een meervoud op -en ook een meervoud op -s
C
Het eerste deel heeft een versterkende betekenis
D
Het eerste deel heeft alleen een meervoud op -en

Slide 15 - Quiz

Welke regel is van toepassing?

secondewijzer
A
Het eerste deel heeft geen meervoud
B
Het eerste deel heeft behalve een meervoud op -en ook een meervoud op -s
C
Het eerste deel heeft een versterkende betekenis
D
Het eerste deel heeft alleen een meervoud op -en

Slide 16 - Quiz

Maak samenstellingen van de volgende woorden. Gebruik -en, -e of -s als tussenletter(s). 

Let op: fouten maken mag, maar verbeter deze wel!

Slide 17 - Slide

volk + buurt=

Slide 18 - Open question

konijn + hok=

Slide 19 - Open question

snelheid + duivel=

Slide 20 - Open question

reus + gezellig=

Slide 21 - Open question

Aan de slag

Maak opdracht 1, 2, 3 en 5 (p.90-91)

Slide 22 - Slide

Hoofdstuk 3 Lesdoelen: 
Spelling: Ik kan samenstellingen met tussenletters goed spellen (p. 90/91)
Werkwoordspelling: Ik kan werkwoordsvormen waaraan je niet kunt horen hoe ze worden geschreven goed spellen. (p. 92/93)
Formuleren: Ik kan verwijswoorden op een goede manier gebruiken. (p. 94/95)

Slide 23 - Slide

Onderwerpen
  • Je leert over de spelling van lastige werkwoorden.
  • Je leert verwijswoorden
Boek: bladzijde 92 t/m 95
Je leert over werkwoordspelling en formuleren

Slide 24 - Slide

Slide 25 - Slide

Opletten: lastige werkwoorden

Werkwoorden die beginnen met be-, ge-, ver-, ont-, her- of over- klinken in de tegenwoordige tijd en de voltooide tijd hetzelfde, maar vaak schrijf je de werkwoorden anders.


gebeurt of gebeurd

verandert of veranderd?

herstelt of hersteld?

Slide 26 - Slide

Opletten: lastige werkwoorden


In de tegenwoordige tijd noemen we een werkwoord met 

be-, ge-, ver-, ont-, her- of over-  een persoonsvorm.


In de voltooide tijd noemen we een werkwoord met

be-, ge-, ver-, ont-, her- of over-  dat geen persoonsvorm is 

een voltooid deelwoord.



Slide 27 - Slide

-d of -t? Gebruik het schema


-d of -t?

Gebruik het schema.

Slide 28 - Slide

Zo gebruik je het schema

Kijk eerst of het werkwoord een persoonsvorm is.


Nee?

- Maak het werkwoord langer. Je hoort -d of -t. Schrijf zo kort mogelijk.


Ja? Staat het woord in de tt of vt?

- tt: kies stam, stam + t of hele werkwoord.

(gebruik lopen om te horen of er een -t achter de stam komt)

- vt: sterke werkwoorden veranderen van klank. Schrijf deze zo kort en eenvoudig mogelijk op. Zwakke werkwoorden: kies stam + te(n) of stam + de(n) (gebruik 't ex-kofschip wanneer je niet weet of je te(n) of de(n) moet gebruiken.)


Slide 29 - Slide

Persoonsvorm

Soms gebeurt dat.
Dat verandert niets.
Zij herstelt haar scooter.
Voltooid deelwoord

Het is gebeurd.
Het is niet veranderd.
Zij heeft haar scooter hersteld.
Is het een pv?  JA
tt of vt?  tt
Regel? Stam +t
Is het een pv?  NEE
Regel? Maak langer, hoor je -t of -d? Schrijf zo kort mogelijk

Slide 30 - Slide

Voorbeeld:
ik verleer, hij verleert, hij heeft verleerd

Doe hetzelfde met verwerken.
_________

Slide 31 - Open question

Voorbeeld:
ik verleer, hij verleert, hij heeft verleerd

Doe hetzelfde met besturen.
_________

Slide 32 - Open question

Johnny en Anita hebben zich prima (vermaakt) tijdens het jaarlijkse tentfeest.
A
persoonsvorm tegenwoordige tijd
B
voltooid deelwoord

Slide 33 - Quiz

Victor (herinnert) zich ineens dat hij nog een afspraak heeft.
A
persoonsvorm tegenwoordige tijd
B
voltooid deelwoord

Slide 34 - Quiz

Slide 35 - Video

1. Hoe komt het dat de tekst niet prettig is om te lezen?
2. Wat zou je aan de tekst willen veranderen?




Haren recyclen: gek idee?
Modeontwerpster Jessica van Halteren gebruikt gedragen, afgedankte kleren voor Jessica’s collecties. Maar Jessica gebruikt ook haren die Jessica verzamelt. In de laatste Amsterdam Fashion Show toonde Jessica Jessica’s jas gemaakt van mensenhaar. Waarom zou je geen menselijk haar kunnen recyclen? dacht Jessica. Jessica vroeg Jessica’s vrienden hun haar te bewaren na hun kappersbezoek en Jessica knipte ook zelf mensen. Nee, Jessica vindt het geen gek idee, want Jessica houdt van hergebruiken en niet van dingen weggooien.

Slide 36 - Slide

Kijk mee
Formuleren: Verwijswoorden

Slide 37 - Slide

de-woorden
verwijs met deze of die
Deze deur is op slot, maar die daar is wel open.
het-woorden
verwijs met dit of dat
Dat paard is wild, maar dit hier is rustig.
zinnen
verwijs met dat of wat
Koen heeft mij uitgenodigd voor zijn verjaardag. Dat vind ik leuk.
Koen heeft mij uitgenodigd voor verjaardag, wat ik leuk vind.
persoon
verwijs met voorzetsel + wie (met wie, voor wie, over wie)
De klasgenoot met wie ik afgesproken had, is helaas ziek.
dier of ding
verwijs met waar + voorzetsel (waarmee, waarvoor, waartegen)
Dat is de paal waartegen ik gebotst ben.
Verwijswoorden

Slide 38 - Slide

Verwijswoorden

hun:



hen:

hun of hen

hun iPad (bezittelijk voornaamwoord)

Ik geef hun een iPad (meewerkend voorwerp zonder voorzetsel)

Die jongen heeft hen voorgelogen. (lijdend voorwerp)

Ik geef een iPad aan hen.(na een voorzetsel)

Slide 39 - Slide

De trein met wie/waarmee Joy reist, stopt ook bij deze/dit station
A
wie/deze
B
waarmee/deze
C
wie/dit
D
waarmee/dit

Slide 40 - Quiz

De economieleraar ___ ik je vertelde, geeft ook wiskunde.
A
over wie
B
waarover

Slide 41 - Quiz

Daar is ___ met wie opa altijd wandelt.
A
de hond
B
de mevrouw

Slide 42 - Quiz

Aan de slag
Werkwoordspelling: 1 t/m 4 (p. 92-93)

Formuleren: 1 t/m 3 
(p. 94-95)

Slide 43 - Slide