Samenvatting zinsbouw voor de toets

Toets zinsbouw
Voor de toets weet je:

- hoe een hoofdzin wordt opgebouwd;
- dat je "de rest" van een zin in deze volgorde zet: wanneer-wie-wat-hoe-waar;
- hoe je een zin met twee werkwoorden opbouwt;
- wat de volgorde van een vraagzin is;
- wat inversie met de woordvolgorde doet;
- wat een samengestelde zin is: hoofdzin-hoofdzin / hoofdzin-bijzin
- wat de nevenschikkende en onderschikkende voegwoorden zijn 
- wat de woordvolgorde bij hoofdzin-bijzin is.


1 / 12
next
Slide 1: Slide
NT2Middelbare schoolvwoLeerjaar 1

This lesson contains 12 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Toets zinsbouw
Voor de toets weet je:

- hoe een hoofdzin wordt opgebouwd;
- dat je "de rest" van een zin in deze volgorde zet: wanneer-wie-wat-hoe-waar;
- hoe je een zin met twee werkwoorden opbouwt;
- wat de volgorde van een vraagzin is;
- wat inversie met de woordvolgorde doet;
- wat een samengestelde zin is: hoofdzin-hoofdzin / hoofdzin-bijzin
- wat de nevenschikkende en onderschikkende voegwoorden zijn 
- wat de woordvolgorde bij hoofdzin-bijzin is.


Slide 1 - Slide

De hoofdzin
Enkelvoudige zinnen

De man springt in de lucht.
De man I springt I in de lucht.

de man = subject (onderwerp)
springt = werkwoord (persoonsvorm)
in de lucht = rest

Slide 2 - Slide

De woordvolgorde van de rest van de zin.

De woorden in de rest van de zin, dus na wanneer:

  0. wanneer
  1. met wie?
  2. wat?
  3. hoe?
  4. waar (heen)?

Ik ben gisteren met mijn moeder met de auto naar huis gereden.

Slide 3 - Slide

Hoofdzin - enkelvoudige zin
wie?
doet?
wanneer?
de rest
Ivan                gaat               morgen         naar Rotterdam.
Nadia             fietst              elke dag              naar school.
Maria              eet                 om 3 uur             een appel.
Jasim             tekent            altijd                     dieren.

Slide 4 - Slide

een zin met 2 werkwoorden
wie?
doet?
wanneer?
de rest
Ivan               is                      gisteren        naar Rotterdam    geweest.
Nadia           moet              elke dag           naar school            fietsen.
Maria            heeft              om 3 uur          een appel              gegeten.
Jasim           heeft               vandaag         mooie dieren        getekend.
werkwoord
1
2
3

Slide 5 - Slide

De vraagzin
Met een vraag is het ondersom !

Waarom springt de man in de lucht?
Waarom springt I de man I in de lucht?

wie = vraagwoord
springt = werkwoord (persoonsvorm)
de man = onderwerp
in de lucht = rest

vraagwoord - werkwoord - onderwerp - rest

Slide 6 - Slide

En een vraagzin ??
wie?
doet?
wanneer?
de rest
Is                  Ivan               gisteren        naar Rotterdam      geweest?
Moet           Nadia            elke dag           naar school            fietsen?
Heeft           Maria            om 3 uur          een appel              gegeten?
Heeft           Jasim            vandaag         mooie dieren        getekend?
werkwoord

Slide 7 - Slide

De woordvolgorde van de rest van de zin.

Inversie = verandering van zinsbouw.

Als je waar, wanneer, met wie of hoe vooraan de zin zet, verandert de zinsbouw ook:

> onderwerp-werkwoord wordt werkwoord - onderwerp!

Op de slaapkamer ligt mijn kat (mijn kat ligt in de slaapkamer)
Morgen ga ik naar De Efteling (ik ga morgen naar de Efteling)
Met jou wil ik naar Duitsland (ik wil met jou naar Duitsland)
Met de bus wil ik naar Arnhem (ik wil met de bus naar Arnhem

Slide 8 - Slide

Samengestelde zin (nieuw)
1. heeft twee persoonsvormenIk ben blij, want ze zon schijnt.

2. bestaat uit een zin met twee hoofdzinnen > Ik ga naar huis, want ik ben ziek.
Bij twee hoofdzinnen, zijn beide zinnen even belangrijk.

3. bestaat uit een zin met een hoofdzin en een bijzin
> ik ga met de fiets, als jij de auto neemt.
Bij een hoofdzin en een bijzin, is de hoofdzin belangrijker
dan de bijzin.

4. heeft altijd een voegwoord om de twee zinnen aan elkaar te plakken.

Slide 9 - Slide

Voegwoorden (nevenschikkend)
1. Een voegwoord dat twee hoofdzinnen verbindt.
De zinsbouw blijft gelijk: onderwerp - werkwoord, onderwerp -werkwoord.

Zij praten niet, maar zij schreeuwen.
Hij eet en hij drinkt tegelijk.
Ik kan hardlopen dus ik ben fit.
Wij lopen of wij fietsen naar huis.
Zij slaapt, want zij is moe.

ME(D)OW > maar, en, dus of, want
.

Slide 10 - Slide

Voegwoorden (onderschikkend)
2. Een voegwoord dat een hoofdzin en een bijzin verbindt:

dat (zoals in Ik zag dat de trein vertraging hadof (zoals in Ik weet niet of de trein hier stopt)
en ook: dan, terwijl, om, omdat, doordat, zodat, zodra, als, toen, hoewel, tenzij, voor zover.

De zinsbouw verandert dan! 
a. het werkwoord verplaats naar het einde van de zin:
Hij belt de dokter, omdat hij heel veel last van hoofdpijn heeft.

b. onderwerp - werkwoord, werkwoord - onderwerp
Doordat het regende, gleed hij uit / Toen hij belde, wilde ik net weggaan. 



Slide 11 - Slide

Oefenen
In het NT2 Take Away Menu staan heel veel oefeningen met woordvolgorde!

> Ga naar TEAMS
> Klik op NT2 groep 2
> Kies algemeen/general
> Kies bestanden/files
> Kies de map grammatica
> Klik op woordvolgorde

Controleer je antwoorden!

Slide 12 - Slide