Cellen en celdeling

Cellen en celdeling

Anatomie & Fysiologie

1 / 25
next
Slide 1: Slide
New lesson editorVerzorgendeMBOStudiejaar 1

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min
Report this lesson

Items in this lesson

Cellen en celdeling

Anatomie & Fysiologie

Terugblik – van klein naar groot

Vorige week hebben we gekeken naar de opbouw van het menselijk lichaam.


Zet deze organisatieniveaus in de juiste volgorde, van klein naar groot:


orgaan – cel – organisme – weefsel – orgaanstelsel


Wat denk jij dat als eerste komt?

Lesagenda

  • Theorie – cellen

  • Korte kennischeck

  • Pauze

  • Werkblad Celstructuren en functies

  • Oefenen met Anatomie Online

  • Verwerkingsopdrachten Thieme Meulenhoff

Lesdoelen

Na deze les kun je:

  • benoemen wat de belangrijkste kenmerken van cellen zijn;

  • uitleggen wat het celmembraan, cytoplasma en de celkern zijn en wat ze doen;

  • de belangrijkste celonderdelen herkennen en hun functie benoemen;

  • uitleggen waarom cellen zich delen;

  • in eenvoudige stappen uitleggen hoe celdeling verloopt;

  • het verschil uitleggen tussen mitose (lichaamscellen) en meiose (geslachtscellen).

Wat is een cel?

Een cel is de kleinste levende bouwsteen van het menselijk lichaam.


Je lichaam bestaat uit heel veel verschillende soorten cellen. Iedere soort heeft een eigen taak.


Voorbeelden:

  • Spiercel → helpt spieren samentrekken en bewegen

  • Zenuwcel → ontvangt en geeft signalen door

  • Rode bloedcel → vervoert zuurstof

  • Huidcel → helpt het lichaam beschermen


De vorm en bouw van een cel passen bij de taak die de cel heeft.

Wat hebben cellen gemeenschappelijk?

Cellen kunnen er verschillend uitzien en verschillende taken hebben. Toch moeten ze allemaal kunnen leven en functioneren.


Een cel kan:

  • zuurstof en voedingsstoffen opnemen
    bijv. glucose en zuurstof uit het bloed;

  • voedingsstoffen gebruiken om energie beschikbaar te maken
    bijv. een spiercel gebruikt energie om samen te trekken;

  • afvalstoffen afgeven
    bijv. koolstofdioxide wordt afgevoerd;

  • reageren op prikkels uit de omgeving
    bijv. een zenuwcel reageert op een signaal;

  • groeien en zichzelf onderhouden
    bijv. nieuwe eiwitten maken;

  • zich, afhankelijk van het soort cel, delen
    bijv. huidcellen bij wondherstel.

Hoe is een cel opgebouwd?

Een cel bestaat uit verschillende onderdelen. Elk onderdeel heeft een eigen functie.


Drie belangrijke onderdelen zijn:

  • Celmembraan → de buitenste grens van de cel

  • Cytoplasma → de vloeistof/inhoud waarin de celonderdelen liggen

  • Celkern → bevat het DNA met erfelijke informatie


In het cytoplasma liggen daarnaast verschillende celorganellen met ieder hun eigen taak.


Samen zorgen deze onderdelen ervoor dat de cel goed kan functioneren.

Het celmembraan

Het celmembraan is het dunne laagje aan de buitenkant van de cel.


Het celmembraan:

  • beschermt de inhoud van de cel;

  • vormt de grens tussen de cel en zijn omgeving;

  • bepaalt welke stoffen de cel in en uit kunnen.


Voorbeeld:
Zuurstof en voedingsstoffen moeten de cel in kunnen. Afvalstoffen moeten de cel weer kunnen verlaten.

Het celmembraan is selectief doorlaatbaar: sommige stoffen kunnen er wel doorheen en andere niet.

Cytoplasma

Het cytoplasma is de vloeibare inhoud van de cel binnen het celmembraan.


  • Bestaat voor een groot deel uit water met opgeloste stoffen.

  • Hierin liggen de verschillende celorganellen.

  • In het cytoplasma vinden veel chemische reacties plaats die nodig zijn om de cel te laten functioneren.


Voorbeeld:
Je kunt het cytoplasma zien als de werkruimte van de cel: de celonderdelen bevinden zich hierin en voeren er hun taken uit.

Celkern

De celkern is het regelcentrum van de cel.


  • Bevat het DNA: de erfelijke informatie van de cel.

  • Het DNA is verpakt in chromosomen.

  • De celkern stuurt veel processen in de cel aan, zoals groei, werking en celdeling.


Bij de mens:
De meeste lichaamscellen bevatten 46 chromosomen = 23 paren.


Kort onthouden:
celkern → chromosomen → DNA → erfelijke informatie

Andere belangrijke celonderdelen

Naast de celkern heeft een cel verschillende celorganellen. Elk onderdeel heeft een eigen taak, maar ze werken samen.


Voorbeeld: er moet een nieuwe huidcel ontstaan bij wondherstel

  1. Celkern → bevat het DNA met de instructies voor de cel.

  2. Ribosomen → gebruiken die informatie om eiwitten te maken uit aminozuren.

  3. Ruw ER - ruw endoplasmatisch reticulum → helpt deze eiwitten verder te verwerken en te vervoeren.

  4. Golgi-apparaat → bewerkt, sorteert en verpakt de eiwitten en stuurt ze naar de juiste plek.

  5. Glad ER - glad endoplasmatisch reticulum → maakt onder andere vetten, die bijvoorbeeld nodig zijn voor nieuwe celmembranen.

  6. Mitochondriën → maken energie uit voedingsstoffen bruikbaar voor al dit werk.

  7. Lysosomen → ruimen oude of beschadigde celonderdelen en afvalstoffen op.


Zo werkt de cel als één geheel:
informatie → stoffen maken → verwerken → vervoeren → energie gebruiken → afval opruimen

Bij wondherstel kunnen huidcellen zich daarna door mitose delen, waardoor nieuwe huidcellen ontstaan.

DNA en chromosomen

In de celkern zit DNA. Dit DNA is verpakt in chromosomen.


  • DNA bevat de erfelijke informatie van je lichaam.

  • Een chromosoom bestaat uit DNA.

  • De meeste lichaamscellen hebben 46 chromosomen.

  • Deze 46 chromosomen vormen 23 paren.

  • Van ieder paar is één chromosoom afkomstig van je moeder en één van je vader.


Dus:
23 van moeder + 23 van vader = 46 chromosomen = 23 paren


Geslachtscellen zijn anders: een eicel of zaadcel bevat 23 losse chromosomen.

Waarom delen cellen zich?

Cellen gaan niet allemaal je hele leven mee. Oude, versleten of beschadigde cellen moeten worden vervangen.


Celdeling is belangrijk voor:

  • Groei → er komen nieuwe cellen bij.

  • Vervanging → oude of afgestorven cellen worden vervangen.

  • Herstel → beschadigd weefsel kan herstellen.


Voorbeeld:
Bij een wond raken huidcellen beschadigd. Door celdeling ontstaan nieuwe cellen die helpen het weefsel te herstellen.


Niet alle cellen delen even vaak: sommige cellen worden snel vervangen, terwijl andere cellen nauwelijks of niet meer delen.

Gewone celdeling (mitose)

Mitose is de celdeling van lichaamscellen.


  1. We beginnen met 1 lichaamscel met 46 chromosomen.

  2. Voor de deling wordt het DNA in de chromosomen gekopieerd.

  3. De gekopieerde erfelijke informatie wordt verdeeld.

  4. De cel deelt zich in 2 nieuwe dochtercellen.

  5. Beide nieuwe cellen hebben weer 46 chromosomen en dezelfde erfelijke informatie.


Kort:
1 lichaamscel (46) → DNA kopiëren → 2 lichaamscellen (46 + 46)


Waarom? Voor groei, vervanging en herstel.

Reductiedeling (meiose)

Meiose is een speciale celdeling voor het vormen van geslachtscellen: eicellen en zaadcellen.


  1. Start met 1 voorlopercel
    46 chromosomen = 23 paren
    Voorbeeld van één paar: A + B


  1. DNA wordt gekopieerd
    Van A en B wordt een kopie gemaakt.
    A + A-kopie en B + B-kopie


  1. Eerste deling
    De chromosomen van ieder paar worden uit elkaar gehaald.
    Cel 1 krijgt A + A-kopie
    Cel 2 krijgt B + B-kopie
    → er zijn nu 2 cellen met ieder 23 chromosomen


  1. Tweede deling
    In beide cellen worden de kopieën van elkaar gescheiden.
    Daarna splitst iedere cel zelf ook in tweeën.
    → cel 1 wordt 2 cellen
    → cel 2 wordt 2 cellen


  1. Eindresultaat
    4 cellen, ieder met 23 losse chromosomen Waarom? eicel 23 + zaadcel 23 = 46 chromosomen

Mitose en meiose: wat is het verschil?

Een cliënt heeft een wond aan haar arm. Welke celdeling helpt bij het maken van nieuwe huidcellen?

A

Meiose

B

Mitose

C

Bevruchting

D

Mifose

Een gewone lichaamscel heeft 46 chromosomen. Hoeveel chromosomenparen zijn dat?

A

23

B

22

C

21

D

46

Wat doet het celmembraan?

A

Het maakt energie vrij

B

Het bevat het DNA

C

Het begrenst de cel en regelt welke stoffen erin en eruit gaan

D


Waarom hebben eicellen en zaadcellen 23 chromosomen?

A

Omdat ze kleiner zijn dan lichaamscellen

B

Zodat bij bevruchting 23 + 23 weer 46 wordt

C

Omdat ze geen DNA bevatten

D


Welke uitspraak klopt?

A

Mitose is voor voortplanting en meiose voor wondherstel

B

Mitose en meiose leveren altijd dezelfde cellen op

C

Mitose is belangrijk voor groei en herstel; meiose voor de vorming van geslachtscellen

D


Waar bevindt het DNA zich in de cel?

A

In de celkern

B

In het celmembraan

C

Buiten de cel

D


Pauze


Even tijd om op te laden.


Na de pauze gaan jullie zelfstandig aan de slag met:

  • het werkblad Celstructuren en functies;

  • Anatomie Online;

  • de verwerkingsopdrachten in Thieme Meulenhoff.

Aan de slag

Werk de opdrachten in deze volgorde af:


1. Werkblad – Celstructuren en functies

Ga in Itslearning naar:
Kwalificerende lijn → Anatomie & Fysiologie → Cellen en weefsels

  • Open het Word-document en maak opdracht 1 en 2.

  • Sla je ingevulde document op.

  • Lever het in via het inlevermapje


2. Thieme Meulenhoff – Boek Anatomie & Fysiologie VIG

Ga naar:
Module 2 – Cellen en weefsels → Hoofdstuk 1: Cellen

  • Lees de theorie van hoofdstuk 1.

  • Maak de bijbehorende verwerkingsopdrachten.


3. Anatomie Online

  • Open Anatomie Online via de link in Itslearning.

  • Kies Celbouw.

  • Ga naar Organellen en maak de oefening.

Alle benodigde links staan in Itslearning.

Afsluiting

Wat moet je na vandaag kunnen?

  • uitleggen wat een cel is;

  • de belangrijkste celonderdelen herkennen en hun functie benoemen;

  • uitleggen waarom celdeling nodig is;

  • het verschil uitleggen tussen mitose en meiose.


Niet af?
Maak het werkblad en de opdrachten in Thieme morgen verder af.


Volgende les:
Weefsels – dekweefsel, bindweefsel, spierweefsel en zenuwweefsel.