passer : hulpww avoir of être?
Het werkwoord passer gebruikt in de passé composé het hulpwerkwoord avoir als het
transitief is (een lijdend voorwerp heeft) en het hulpwerkwoord être als het intransitief is (geen lijdend voorwerp heeft) of een beweging aanduidt. De betekenis van het werkwoord verandert, dus je moet contextueel bepalen welke betekenis wordt bedoeld.
Wanneer gebruik je être?
Passer als intransitief werkwoord: Als er geen lijdend voorwerp is, gebruikt 'passer' het hulpwerkwoord 'être'.
Voorbeeld: Shay et ses amis sont passés devant l'école. (Shay en haar vrienden zijn langs de school gelopen).
Passer als beweging (d.w.z. 'passeren'): Dit is vaak een vorm van beweging, wat aangeeft dat je 'être' moet gebruiken.
Wanneer gebruik je avoir?
Passer als transitief werkwoord: Als er een lijdend voorwerp is, gebruik je 'avoir'. Dit is wanneer je de tijd doorbrengt of een moment beleeft, bijvoorbeeld 'passer' du temps (tijd doorbrengen) of 'passer' un examen (een examen doen).
Voorbeeld: Nous avons passé un examen. (We hebben een examen afgelegd).
Voorbeeld: J'ai passé du temps avec ma famille. (Ik heb tijd doorgebracht met mijn familie). Barbie, la poupée la plus célèbre au monde
l