Didactiek P3 L1+2: Didactische werkvormen

Didactische werkvormen 
Thema 8
1 / 34
next
Slide 1: Slide
didactiekMBOStudiejaar 1

This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Didactische werkvormen 
Thema 8

Slide 1 - Slide

Warming up
Wat weten we nog van bewegingsvormen?

Terugblik op toets periode 2

Slide 2 - Slide

Geef voorbeeld van bewegingsvorm waar je totaalmethode toepast.

Slide 3 - Open question

Watertrappelen 1x laten zien en iedereen gelijk dat laten oefenen.
A
Totaalmethode
B
Deelmethode

Slide 4 - Quiz

Totaalmethode 

1. Je oefent vaardigheid zoveel mogelijk in zijn geheel (totaliteit) en niet in aparte delen.
2. Je biedt de gehele beweging eerst in vereenvoudigde vorm aan waarbij het tempo van uitvoeren meestal laag is.
3. Vanuit de basisvorm verschillende accenten leggen om totale beweging steeds te verbeteren.

Totaalmethode vraagt veel van ervaring en inzicht lesgever


Slide 5 - Slide

Deelmethode 

1.  Je deelt een beweging op in een aantal kleine stukjes.
2. Je oefent eerst de  onderdelen apart.
3. Als deelnemers de onderdelen min of meer beheersen, vindt het samenvoegen plaats. 

Vooral bij sporten waarbij het belangrijk is om een aantal technieken tot in de puntjes te beheersen.

Slide 6 - Slide

Je kan een oefening van makkelijk naar moeilijk maken, hoe kan je oefeningen nog meer methodisch opbouwen?

Slide 7 - Mind map

Methodische principes
1. Van hoofdonderdelen naar gedetailleerde onderdelen.
2. Van enkelvoudig naar samengesteld.
3. Van laag naar hoog vlak.
4. Met veel rust naar weinig rust ( hersteltijd).
5. Van langzaam uitvoeren naar snel uitvoeren.
6. Van weinig spelregels naar veel.

Slide 8 - Slide

Waar gebruik je het BHU model voor?
A
Voor methodische opbouw
B
Om te kunnen differentiëren

Slide 9 - Quiz

Welke deelnemers kunnen de uitbreidingsoefening doen?
A
De deelnemers die basis al beheersen
B
Deelnemers die herhaling beheersen

Slide 10 - Quiz

BHU-model: inhoudelijk differentiëren
1. Basisvormen: gericht op gemiddelde niveau van de groep
2. Herhalingsvormen: gericht op SB-deelnemers die onder het gemiddelde niveau blijven
3. Uitbreidingsvormen: gericht op SB-deelnemers die boven het gemiddelde niveau zitten.

Slide 11 - Slide

2 vormen van differentiëren zijn
A
Motorisch Cognitief
B
Inhoudelijke Organisatorische
C
Deel Totaal

Slide 12 - Quiz

Waar moet Bewegingsvorm aan voldoen?

Slide 13 - Mind map

Didactische eisen voor een  bewegingsvorm 

  • Bewegingsvorm moet aansluiten bij beginsituatie.
  • Bewegingsvorm moet bijdragen aan het behalen van de doelstelling 
  • Bewegingsvorm moet aansluiten op de evaluatie van de voorgaande les(sen).

Slide 14 - Slide

Eisen waar een bewegingsvorm aan moet voldoen 
  • Veilig
  • Betekenisvol (aansluiten bij de kern van de vaardigheid die je wilt aanleren, verbeteren of toepassen)
  • Belevingswaarde (aansluiten bij belevingswereld) en afwisseling  (verhouding concentratie - ontspanning)
  • Optimale intensiteit (goede verhouding arbeid -rust = arbeidscurve)
  • Differentiatie mogelijk (organisatorisch of inhoudelijk)
  • Methodisch goed opgebouwd.

Slide 15 - Slide

Didactische werkvormen 
Thema 8

Slide 16 - Slide

Leerdoelen
  • Je kunt het begrip didactische werkvormen beschrijven en op drie manieren indelen.
  • Je kunt voorbeelden geven van didactische werkvormen en de toepassing in de praktijk. 
  • Je kunt verschillende didactische werkvormen, zoals de coachvorm en de spelvorm omschrijven.
  • Je kunt beschrijven wat er verstaan wordt onder open en gesloten didactische werkvormen en deze toepassen in de praktijk.
  • Je kunt de kolom didactische werkvormen correct invullen op het lesvoorbereidings-formulier.

Slide 17 - Slide

Opdracht
Thema 8 Didactische werkvormen

Lees bladzijde 227 - 233 en maak de vragen/opdrachten van het stencil.

Slide 18 - Slide

Thema 8
Didactische werkvormen zijn: Manieren waarop je een bewegingsvorm of organisatie aanbiedt.
OF
Het geheel van didactische handelingen die door de lesgever worden gebruikt met het oog op het bereiken van een vooraf bepaalde doelstelling.


Slide 19 - Slide

Noem zo veel mogelijk manieren die een lesgever gebruikt om iets sportiefs aan te leren bij een deelnemer:

Slide 20 - Mind map

Voorbeelden van activiteiten van de lesgever:

• Informatie geven (Elleboog moet hoog zijn bij uithaal borstcrawl)
• Opdrachten geven (Borstcrawl 3 baantjes met hoge elleboog)
• Uitleggen (Met hoge elleboog zwem je stabieler en dus sneller)
• Verbeteren (probeer eens met je duim langs oksel te gaan)
• Beurten geven (wie kan de armslag uitleggen?)
• Laten experimenteren/uitproberen(ga maar uitproberen wat beter werkt)

Slide 21 - Slide

Waar in het didactisch model, staan "didactische werkvormen"?
A
Tegenover de beginsituatie
B
als onderdeel van de les/training
C
Bij de evaluatie
D
Onder de doelstelling

Slide 22 - Quiz

De didactische werkvormen bepalen hoe je de bewegingsvormen gaat aanbieden.

Slide 23 - Slide

Slide 24 - Slide

Op welke 3 manieren kun je didactische werkvormen indelen?
A
Organisatorisch, wijze van aanbieden, volgens beginsituatie
B
Organisatorisch, wijze van aanbieden, ruimte die de lesgever biedt
C
Opdrachtvorm, wijze van aanbieden, ruimte die de lesgever biedt

Slide 25 - Quiz

Didactische werkvormen

Slide 26 - Mind map

Didactische werkvormen


Gesloten vorm
Open vorm
Coachvorm
Spelvorm 



Vrij werken
Opdrachtvorm
Werken in groepen
Klassikaal werken 






Slide 27 - Slide

Open didactische werkvorm
  • Veel vrijheid voor deelnemers om keuzes te maken
  • Niet veel vastgelegd
  • Docent laat groep meer vrij
  • Laten uitproberen

Slide 28 - Slide

Slide 29 - Video

Gesloten didactische werkvorm 
  • Trainer heeft regie
  • Trainer bepaalt
  • Vaak klassikaal 
  • Iedereen doet vaak het zelfde
  •  Geen vrijheid voor deelnemer om zelf te kiezen
  • Veiligheid vaak belangrijk

Slide 30 - Slide

Slide 31 - Video

Met welke doelgroep kies je voor een open didactische werkvorm?

Slide 32 - Mind map

Met welke doelgroep kies je voor een gesloten didactische werkvorm?

Slide 33 - Mind map

En nu?
  • Lees met de kennis van vorige week thema 8.3
  • Opdracht 4 van thema 8

Slide 34 - Slide