les 1 Een stroomkring maken

les 1 Een stroomkring maken
1 / 21
next
Slide 1: Slide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo k, g, tLeerjaar 2

This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

les 1 Een stroomkring maken

Slide 1 - Slide

introductie maken (digitaal)
timer
8:00

Slide 2 - Slide

leerdoelen
4.1.1 Je kunt uitleggen hoe je een gesloten stroomkring maakt.
4.1.2 Je kunt het verschil tussen geleiders en isolatoren beschrijven.
4.1.3 Je kunt een aantal geleiders en isolatoren noemen.
4.1.4 Je kunt uitleggen op welke manier je de stroomsterkte meet.
4.1.5 Je kunt beschrijven wat een elektrische stroom is.
4.1.6 Je kunt uitleggen wat een led is en hoe een led werkt. (PLUS)

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Video

gesloten stroomkring
Met een batterij kun je een lampje laten branden.
 Dat lukt alleen als de stroom rond kan stromen: van de batterij naar het lampje, door de gloeidraad van het lampje en weer terug naar de andere kant van de batterij.


Er is dan een gesloten stroomkring. 

Als je de stroomkring onderbreekt, gaat het lampje weer uit.

Slide 5 - Slide


A
stroomkring gesloten
B
stroomkring onderbroken

Slide 6 - Quiz


A
lampje aan
B
lampje uit

Slide 7 - Quiz


A
stroomkring gesloten
B
stroomkring onderbroken

Slide 8 - Quiz


A
lampje aan
B
lampje uit

Slide 9 - Quiz

Onderdelen van een stroomkring
De woorden ‘stroom’ en ‘stroomkring’ maken duidelijk dat er ‘iets’ beweegt door de snoeren en het lampje. 
Natuurkundigen hebben dat ‘iets’ de naam lading gegeven.

 Een elektrische stroom bestaat uit bewegende lading.  Als je een stroomkring onderbreekt, valt die beweging stil.
 De lading is er nog wel, maar die kan niet meer door de stroomkring heen bewegen.


Slide 10 - Slide

isolerende en geleidende stoffen
Er zijn verschillende manieren om de onderdelen van een stroomkring met elkaar te verbinden. 
Meestal gebruik je daar snoeren voor.
 De elektrische stroom loopt door het koperdraad dat in zo’n snoer zit. Dit noem je een geleider.

De buitenkant van het snoer is van plastic. Daar loopt geen elektrische stroom doorheen. Dit noem je een isolator.

Slide 11 - Slide

Geleider

Stoffen waar een elektrische stroom gemakkelijk doorheen kan lopen.

 Alle metalen zijn geleiders, maar het ene metaal geleidt beter dan het andere. 

Koper en aluminium geleiden bijvoorbeeld beter dan ijzer en lood.

 Koolstof is ook een geleider, al is het geen metaal.
Isolator

Stoffen die een elektrische stroom niet of heel slecht doorlaten.

 Voorbeelden zijn rubber, glas en de meeste soorten plastic. 

Als een vaste stof geen metaal is, dan is het bijna altijd een isolator. 

Ook lucht is een goede isolator.

Slide 12 - Slide

drukschakelaar
In een gesloten stroomkring loopt de stroom door de geleidende delen van snoeren, lampjes of apparaten.

 Met een schakelaar kun je de stroom aan- en uitschakelen.
 Als je de stroom inschakelt, komen twee geleidende delen in de schakelaar met elkaar in contact. 
De stroomkring wordt zo gesloten.

Als je met de schakelaar de stroomkring onderbreekt, is er geen geleidende verbinding meer. 
De stroomkring is dan open en de elektriciteit kan niet meer door de lamp stromen.
 Bij een open stroomkring kan de lamp dus niet branden.

Slide 13 - Slide

De stroom meten
Met een stroommeter kun je meten hoe ‘sterk’ de elektrische stroom door een stroomkring is. 
Je meet dan op een bepaald punt in de stroomkring hoeveel lading er in één seconde voorbijkomt. 
Dat noem je de stroomsterkte

Hoe meer lading er in een seconde voorbij komt, des te groter is de stroomsterkte.

De eenheid van stroomsterkte is ampère (A). 
Een stroommeter wordt daarom ook wel ampèremeter genoemd. 
Als de stroomsterkte klein is, meet je de stroom meestal in milliampère (mA).

Slide 14 - Slide

Stroomsterkte
Ampere
eenheid
grootheid

Slide 15 - Drag question

omrekenen
1 mA = 0,001 A

1 A = 1000 mA

Slide 16 - Slide

De stroomsterkte is op elke plaats in de stroomkring even groot. Het maakt dan ook niet uit waar je de stroommeter in de stroomkring opneemt: links of rechts van het lampje.

Slide 17 - Slide

LED
Een led is een lampje dat in allerlei soorten verlichting gebruikt wordt. 

De naam led is een afkorting van ‘licht emitterende diode’.

 ‘Licht emitteren’ betekent licht uitstralen. 

Een diode is een klein elektronisch onderdeel dat maar in één richting stroom doorlaat. 

Als je een led hebt met een kleurloos plastic omhulsel, kun je de diode misschien net zien.

Slide 18 - Slide

LED
Kenmerkend voor een led is dan ook dat de stroom er maar in één richting doorheen kan lopen. 

Als je het andersom probeert, loopt er geen stroom en geeft de led geen licht. 

Daarom moet je een led altijd op de juiste manier aansluiten: het langste aansluitpootje moet verbonden worden met de pluskant van de batterij.

Slide 19 - Slide

LED
In fietslampjes worden bijna altijd leds gebruikt. 
Leds hebben namelijk als voordeel dat ze heel weinig elektrische energie nodig hebben om (veel) licht te geven. 
Een ledlamp verbruikt 80 tot 85% minder energie dan een halogeenlamp en ongeveer 90% minder dan een gloeilamp. 
Leds hebben bovendien een heel lange levensduur en kunnen goed tegen schokken.

Slide 20 - Slide

huiswerk

opdracht 1 t/m 15
BLZ 143 t/m 147

Slide 21 - Slide