1.3 Vermogen en energie

1 / 23
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNatuurkundeMiddelbare schoolvmbo k, gLeerjaar 2,3

This lesson contains 23 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Items in this lesson

Met welke eenheid meten we spanning

A

ampere

B

vermogen

C

volt

D

watt

Welke draad voert de stroom van het elektriciteitsnet naar een apparaat?

A

Aardedraad

B

Nuldraad

C

Schakeldraad

D

Fasedraad

Wat gebeurt er bij kortsluiting?

A

De stroom wordt kleiner

B

De stroom neemt sterk toe

C

De spanning neemt toe

D

Een lamp brandt zwakker

Wat betekent overbelasting?

A

Er zijn te weinig apparaten aangesloten

B

Alle lampen staan aan

C

Er loopt te veel stroom door een groep

D

De oven staat aan

I is het symbool voor?

A

Stroom sterkte

B

Spanning

C

Weerstand

D

Vermogen

Wat is Energie?

A

Hoeveelheid energie per seconde

B

Het vermogen om Arbeid te verrichten of te leveren.

C

Dat spul uit een batterij.

D


Wat is de eenheid van Energie

A

E

B

P

C

kWh

D

kW

Wat is de formule om het energieverbruik te berekenen?

A

E = P : t

B

E = t : P

C

E = P x t

D

0 = E : P x t

Hoe schrijf je het op de juiste manier op? De stroomsterkte door een lampje is 2 ampère.

A

U = 2 A

B

P = 2 A

C

t = 2 A

D

I = 2 A

Wat is het vermogen?

A

Hoeveel energie een apparaat per seconde verbruikt.

B

Het aantal uur een batterij meegaat

C

Hoeveel elektrische stroom een apparaat aan kan.

D

Hoeveel energie een apparaat nodig heeft.

Het vermogen van een wasmachine is ... dan het vermogen van een telefoon.

A

Kleiner

B

Ongeveer hetzelfde

C

Groter

D

Kan je niet weten

Het symbool van vermogen is ........ en de eenheid van vermogen is ......... .

A

P en W

B

U en V

C

I en A

D

P en mA

In de meterkast van elk huis zit een kWh-meter. Wat meet deze meter?

A

de stroom die je verbruikt

B

het vermogen dat je verbruikt

C

de elektrische energie die je verbruikt

D

de spanning die je verbruikt

Een koelkast verbruikt per dag 0.8 kWh. Wat kost het om deze koelkast een heel jaar aan te laten staan. 1 kWh kost €0.25.

A

Kosten = 0.8kWh x €0.25 = €0.20

B

Kosten = 0.8kWh x €0.25 = €0.20 x 365 = €73.-

C

Kosten = 0.8kWh / €0.25 = €3,20

D

Kosten = 0.8kWh / €0.25 = €3,20 x 365 = €1168,-

Een wasmachine van 1000W staat 1uur en 30min aan. Bereken het energieverbruik in kWh.

A

1000 : 1,5 = 666,7 kWh

B

1000 x 1,5 = 1500 kWh

C

1 x 1,5 = 1,5 kWh

D

1 x 1.30 = 1,3 kWh

Vragen over de les?

Aan de slag!



Maak de vragen van H1.3 blz 36 t/m 41 de vragen 1 t/m 9, kader t/m vraag 10 



20

minute

00

second