Taalcompleet B1 thema 2 les 2.6

Taalcompleet B1 thema 2 les 2.6
Weg met stress


1 / 39
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 39 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Taalcompleet B1 thema 2 les 2.6
Weg met stress


Slide 1 - Slide

90.  bespreek samen
1. Heb jij vaak stress? Waarom?
2. Wat zijn de gevolgen?
ik slaap slecht
ik heb hoofdpijn
ik heb geen zin in eten
......

Slide 2 - Slide

91. Luister naar de tekst en beantwoord de vragen

Je gaat zo luisteren naar een radio-interview over stress.
je hoort een radiopresentator praten met een gast.

Slide 3 - Slide

91. Wat wil jij graag weten over stress. Kies 2 vragen. Noteer deze in je boek
wat is stress precies?
ik heb vaak stress, is dat normaal?
is stress gezond of ongezond?
Wie heeft er stress?
Welke geestelijke klachten geeft stress?
Veranderen mensen door stress? Zo ja, hoe?
Wat kun je doen om minder stress te hebben?

Slide 4 - Poll

92. Luister naar de tekst
1. Heb je een antwoord op vraag 1 gehoord?
2. Heb je een antwoord op vraag 2 gehoord?
3. Hoe heb je de antwoorden gevonden?

Slide 5 - Slide

Gericht luisteren
- bedenk wat je wilt horen
- bedenk ook: welke woorden of vragen passen hierbij?
 - luister naar die woorden en vragen in de tekst

Luister nog eens en schrijf de antwoorden op bij vraag 93

Slide 6 - Slide

Bespreek samen
1. Wat doe je als je stress hebt?
2. Doe jij weleens oefeningen om je te ontspannen?

Slide 7 - Slide

95. Kijk naar de video
Je ziet Maaike. Zij laat zien hoe je je lichaam kunt ontspannen.

Slide 8 - Slide

Nieuwe woorden
de ademhaling - het evenwicht -
het gevolg - ondertussen
de presentator - verminderen 
volhouden  - zakken

Slide 9 - Slide

buigen   <> strekken

gespannen zijn (voor)
leunen (op)
linker - rechter - 
het lijf
naar voren
omhoog <> omlaag
optillen
rechtop

voordoen
zo ... als je kunt

Slide 10 - Slide

96. Kijk nog eens naar de video
Doe de oefeningen uit de video

Slide 11 - Slide

97. Doe de opdracht

Slide 12 - Slide

98.1 je moet nog even ......, de wedstrijd is bijna voorbij
A
volhouden
B
voordoen

Slide 13 - Quiz

98.2 Doe oefeningen voor je hele ....., dan train je al je spieren.
A
evenwicht
B
lijf

Slide 14 - Quiz

98.3 Ik heb nog nooit een boom gesnoeid. Wil jij het even ..................
A
verminderen
B
voordoen

Slide 15 - Quiz

98.4 Pijn aan je rug kan het ...... zijn van een slechte houding.
A
evenwicht
B
gevolg

Slide 16 - Quiz

98.5 De ..... heeft in zijn programma interessante gasten ontvangen
A
patiënt
B
presentator

Slide 17 - Quiz

98.6 Om de kans op ziekte te ...... moet je gezond leven
A
verminderen
B
vol te houden

Slide 18 - Quiz

98.7 Als ik ....... ben, word ik snel boos of verdrietig
A
gespannen
B
ontspannen

Slide 19 - Quiz

98.8 De meeste mensen hebben een rustige ..... als ze slapen
A
ademhaling
B
uitslag

Slide 20 - Quiz

Tegenstellingen
ontspannen <> gespannen
linker - <> ......
naar voren <> naar.....
omhoog <> om ........
inademen <> uitademen
.............

Slide 21 - Slide

100. Welke woorden passen in de zin?

doe je armen .......
A
omhoog
B
gespannen

Slide 22 - Quiz

100. 2

Ga .... zitten
A
omlaag
B
rechtop

Slide 23 - Quiz

100. 3
Buig je lichaam .....
A
naar voren
B
tegen elkaar

Slide 24 - Quiz

100. 4
Strek je armen ......,
A
langs je
B
recht

Slide 25 - Quiz

100. 5
Til je ........... op
A
benen
B
ogen

Slide 26 - Quiz

100. 6
Adem ..... in
A
gespannen
B
goed

Slide 27 - Quiz

100. 7
Kom weer .......
A
omhoog
B
tegen elkaar

Slide 28 - Quiz

100. 8
Leun ..........
A
naar achteren
B
voor je

Slide 29 - Quiz

door de knieën
je benen
linker
naar achteren
naar voren
omhoog
rechter
rechtop
1. Buig je rug .....
2. doe je linkerarm
3. strek je ...... arm
4. buig .......
5. til je ....... been op
6. leun ......
7. zit .... en doe je hoofd omlaag
8. strek .....

Slide 30 - Drag question

102. Bedenk zelf een woord in combinatie met zo .... als je kunt
Maak een tekening. Zo ....... als je kunt.

Slide 31 - Open question

102.
Adem in. Zo lang als je kunt.

Slide 32 - Open question

102.
Gooi de bal. Zo ...... als je kunt.

Slide 33 - Open question

102.
Oefen je Nederlands. Zo .... als je kunt.

Slide 34 - Open question

102.
Ik heb een probleem. Kom naar huis.
Zo .... als je kunt.

Slide 35 - Open question

103. Maak zinnen met de woorden.
2. het lijf

Slide 36 - Open question

103. Maak zinnen met de woorden.
3. voordoen

Slide 37 - Open question

103. Maak zinnen met de woorden.
4. zo ..... als je kunt

Slide 38 - Open question

werk samen

Slide 39 - Slide