Woche 20


Stunde 1 - Woche 20
  1. Lesen: Was sie dachten, was wir taten 
  2. Grammatik: Zinsopbouw herhaling 
  3. Schreiben 

Hausaufgaben Donnerstag - Freitag: 
Schreiben : Lerne S.4 - 9
MO: Lerne Deel 1 uit je hoofd  & schrijf deel 2 tot met donderdag / vrijdag 

1 / 10
next
Slide 1: Slide
DuitsSecondary Education

This lesson contains 10 slides, with text slides.

Items in this lesson


Stunde 1 - Woche 20
  1. Lesen: Was sie dachten, was wir taten 
  2. Grammatik: Zinsopbouw herhaling 
  3. Schreiben 

Hausaufgaben Donnerstag - Freitag: 
Schreiben : Lerne S.4 - 9
MO: Lerne Deel 1 uit je hoofd  & schrijf deel 2 tot met donderdag / vrijdag 

Slide 1 - Slide

Satzstellung - Zeit


Am Freitag habe ich eine Prüfung in der Schule. 

Ich habe am Freitag eine Prüfung in der Schule.


Slide 2 - Slide

Satzstellung - Hauptsatz

Een hoofdzin kan alleen staan.
In de hoofdzin staat het vervoegde werkwoord op plek 2.
Voorbeeld:

Ich gehe heute ins Kino.
(Ich = 1, gehe = 2, heute ins Kino = rest)

Slide 3 - Slide

Satzstellung - Nebensatz
Een bijzin kan niet alleen staan.
De bijzin hoort bij een hoofdzin en begint vaak met een voegwoord zoals:
weil, dass, wenn, obwohl, als, bevor, damit
In de bijzin staat het vervoegde werkwoord helemaal achteraan.
Voorbeeld:
Ich kann nicht arbeiten, weil ich heute ins Kino gehe.
(weil = start, ich heute ins Kino = midden, gehe = eind)

Slide 4 - Slide

 Wanneer gebruik je in en wanneer im?

IN = los woord
Je gebruikt in wanneer het los voor een woord staat, meestal als er géén lidwoord achter komt.

Ich wohne in Berlin. (stad)
Sie ist in Deutschland. (land)
Wir gehen in die Schule. (richting → in + lidwoord = in die)
im = een samentrekking van in + dem.
Je gebruikt het als er een “dem” achter zou komen (dat is de der/das-vorm in de derde naamval).
Dus: in + dem → im
Je gebruikt im vaak bij plaatsen of gebouwen met een lidwoord.

Ich bin im Kino. (= in dem Kino)
Er arbeitet im Supermarkt. (= in dem Supermarkt)
Wir essen im Restaurant. (= in dem Restaurant)
Richting → IN + AKKUSATIV (in die / in den / ins)    Ich gehe ins Kino. (in das → ins)
Plaats → IM / IN + DATIV           Ich bin im Kino. (in dem → im)

Slide 5 - Slide

NOVSKEV Aanpak Schreiben
N = Nachdenken
O = Ordnen
V = Verdeutschen (vertalen)
S = Schreiben
K = Korrektur
E = Evaluieren
V = Verbessern (reviseren) 






Slide 6 - Slide

Zu zweit schreiben - einreichen bei Sandra! 




1. Aanhef (verzin een naam)
2. Vraag hoe het met hem gaat en wat hij in de vakantie heeft gedaan. Vraag of hij het druk heeft op school.
3. Vertel dat je in de voorjaarsvakantie in Zwitserland was om te skiën/ snowboarden. Vertel dat de sfeer echt geweldig was. Vertel dat je een Skisafari hebt gedaan en je zoiets geweldig nog nooit hebt meegemaakt. Vertel dat je veel sneeuw had. Noem nog twee andere dingen die je hebt gedaan naast het sporten.
4. Vertel dat je in de zomer in Bergen aan Zee een vakantiebaan wilt vinden om geld te verdienen. Je kiest Bergen aan Zee omdat er veel Duitse toeristen zijn in de zomer. Zo kan je geld verdienen en je Duits verbeteren. Vraag of Marc ook een bijbaantje heeft.
5. Sluit de brief op de juiste manier af. 






Slide 7 - Slide


Stunde 2 - Woche 19
  1. Oefenbrief 3 




Slide 8 - Slide

Slide 9 - Slide

1. Schreibe alleine deinen Übungsbrief 3

2. Fertig? Gib deinen Brief ab und fülle mit deinem Handy die Enquete aus.

Slide 10 - Slide