NOVA H4.4 les 9 rekenen aan zoutoplossingen

H4.4 Rekenen aan zoutoplossingen
1 / 18
next
Slide 1: Slide
ScheikundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

This lesson contains 18 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

H4.4 Rekenen aan zoutoplossingen

Slide 1 - Slide

Deze les
  • herhalen: - molariteit & ionen in een zoutoplossing
                            - neerslagreacties
  • hoeveel gram neerslag ontstaat als je 2 oplossingen van bekende molariteit samenvoegt?
  • eigen werk: H4.4 opgave 3 + 4 + 5

Slide 2 - Slide

Om te weten wat de molariteit van de ionen is in een oplossing, moet je kijken naar de molverhouding in de oplosvergelijking:
NaCl(s)   -> Na+(aq)   + Cl-(aq)
1 mol         :   1 mol         :  1 mol
CaCl2(s) -> Ca2+(aq) + 2 Cl-(aq)
1 mol         :   1 mol          :  2 mol
1. Molariteit van ionen in zoutoplossingen

Slide 3 - Slide

Van molariteit naar aantal mol
Als je weet hoeveel mol in 1,0 L aanwezig is, kun je ook uitrekenen hoeveel mol er in een ander volume aanwezig is


Slide 4 - Slide

Bereken het aantal mol Na+ in 350 mL 0,12 M NaCl-oplossing
timer
2:00

Slide 5 - Slide


M = molaire massa (g/mol) gebruik je om de hoeveelheid van​ één stof om te rekenen gram < -- > mol​

Deze M is een grootheid, deze M staat altijd vóór het getal:​
M = 18,016 g/mol​





M van molariteit = mol/L 
gebruik je om de concentratie van een oplossing​ weer te geven in mol/L​

Deze M is een eenheid, deze M staat altijd achter een getal:​
[A] = 0,15 M



Let op de betekenis van de letter M:

Slide 6 - Slide

Rekenen met 
M en M
Bereken de molariteit van de natriumionen wanneer je 4,5 gram natriumcarbonaat oplost in 50 mL water.
1. oplosvergelijking
2. molverhouding
3. gegeven / gevraagd
4 .....
timer
5:00

Slide 7 - Slide

Uitwerking
Bereken de molariteit van de natriumionen wanneer je 4,5 gram natriumcarbonaat oplost in 50 mL water.
1. oplosvergelijking            
2. molverhouding
3. gegeven / gevraagd
4 .....
Na2CO3(s)      -->     2 Na+(aq)   +    CO32-(aq)
    1 mol                         2 mol               1 mol
4,5 gram /50 mL     ? mol / L
= 90 gram / L
= 90 : 105,99 mol/L
= 0,85 mol/L   -->  x2 = 1,70 mol/L

Slide 8 - Slide

2. neerslagreactie
Je voegt een oplossing van magnesiumsulfaat toe aan een natriumfluoride-oplossing. De suspensie wordt gefiltreerd.
1. Geef de reactievergelijking voor de vorming van het neerslag
2. Welke ionen zullen in ieder geval aanwezig zijn in het filtraat?
timer
3:00

Slide 9 - Slide

uitwerking
Je voegt een oplossing van magnesiumsulfaat toe aan een natriumfluoride-oplossing. De suspensie wordt gefiltreerd.
1.                                       
                                                        Mg2+(aq) + 2 F-(aq) --> MgF2(s)


2. De ionen die niet meedoen aan de reactie, blijven in oplossing. Dus in het filtraat zitten in ieder geval Na+ en SO42-
SO42-
F-
Mg2+
   g
  s
Na+
   g
  g

Slide 10 - Slide

3. Hoeveel gram neerslag ontstaat bij het samenvoegen van 2 oplossingen?
Doe mee met de uitleg
of maak zelf opgave 8c (blz 41) 

Slide 11 - Slide

VOORBEELD


350 mL 0,203 M MgSO4-oplossing 
+
500 mL 0,150 M NaF-oplossing

neerslagreactie:
Mg2+(aq) + 2 F-(aq) --> MgF2(s)

Hoeveel gram neerslag ontstaat?
 

Slide 12 - Slide

ZO DOE JE DAT
1. Noteer de neerslagvergelijking
2. Bereken met de oplosvergelijking van de zouten hoeveel mol ionen aanwezig is 

  Mg2+(aq)     +      2 F-(aq) --> MgF2(s)
350 mL                   500 mL
0,203M                   0,150 M
MgSO4-opl           NaF-opl
  


.... mol Mg2+            .... mol F

timer
4:00

Slide 13 - Slide

UITWERKING
1. Noteer de neerslagvergelijking
2. Bereken met de oplosvergelijking van de zouten hoeveel mol ionen aanwezig is

Mg2+(aq)        +    2 F-(aq) --> MgF2(s)
350 mL                  500 mL
0,203M                   0,150 M
        =                             =
0,350 x 0,203      0,500 x 0,150
        =                             =
0,071 mol Mg2+    0,075 mol F- 





Slide 14 - Slide

ZO DOE JE DAT
1. Noteer de neerslagvergelijking
2. Bereken met de oplosvergelijking van de zouten hoeveel mol ionen aanwezig is
3. Bereken met de molverhouding welk ion op gaat (ondermaat)

1 Mg2+(aq)        +    2 F-(aq) --> MgF2(s)
350 mL                  500 mL
0,203M                   0,150 M
        =                             =
0,071 mol Mg2+    0,075 mol F- 





Slide 15 - Slide

ZO DOE JE DAT
1. Noteer de neerslagvergelijking
2. Bereken met de oplosvergelijking van de zouten hoeveel mol ionen aanwezig is
3. Bereken met de molverhouding welk ion op gaat
4. Bereken met de molverhouding hoeveel mol neerslag er ontstaat
5. Bereken met de molaire massa hoeveel gram neerslag dat is
1 Mg2+(aq)     +    2 F-(aq) --> 1 MgF2(s)
350 mL                  500 mL
0,203M                   0,150 M
        =                             =
0,071 mol Mg2+  0,075 mol F-     

                                                      ... mol MgF2


                                                      .... g MgF2






timer
3:00

Slide 16 - Slide

UITWERKING
1. Noteer de neerslagvergelijking
2. Bereken met de oplosvergelijking van de zouten hoeveel mol ionen aanwezig is
3. Bereken met de molverhouding welk ion op gaat
4. Bereken met de molverhouding hoeveel mol neerslag er ontstaat
5. Bereken met de molaire massa hoeveel gram neerslag dat is
1 Mg2+(aq)     +    2 F-(aq) --> 1 MgF2(s)
350 mL                  500 mL
0,203M                   0,150 M
        =                             =
0,071 mol Mg2+  0,075 mol F-     

                   = 0,075:2 = 0,0375 mol MgF2
M(MgF2) = 24,31+2x19,00
                    = 62,31 g/mol
                   0,0375 x 62,31 = 2,34 g MgF2






Slide 17 - Slide

Eigen werk
Leer het omrekenschema van H4.4 (opgave 1, blz 39)
Maak opgave 3 + 4 + 5 van H4.4

Kijk je werk na!

Slide 18 - Slide