Pronomen + Verba

Wat vind jij van de lessen Nederlands?

1 / 15
next
Slide 1: Poll
New lesson editorNederlandsHoger onderwijsStudiejaar 4,6

This lesson contains 15 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 15 min
Report this lesson

Items in this lesson

Wat vind jij van de lessen Nederlands?

Wat wil je graag veranderen?
Heb je een voorstel/idee?

Het pronomen

Het pronomen =

  1. mensen

  2. dingen (objecten)
    ZONDER EEN NAAM TE NOEMEN


Ik ben blij vandaag.

Jij hebt een mooie jas.

Hij is vriendelijk.

Wij wandelen graag.

Jullie studeren goed.

Zij maken veel plezier.

Het pronomen

Ik heb jou gisteren gezien.


Zij kent hem niet.


Wij willen jullie graag helpen.



Subject

GEEN subject

Het pronomen

Ik heb jouw hond gisteren gezien.


Zij kent zijn hond niet.


Wij willen jullie hond graag helpen.



bezit = possesief pronomen

Oefening: het pronomen

Is dit ____ boek?

A

jouw

B

jij

C


D


Kom binnen! Dit is ___ huis

A

mijn

B

me

C

ik

D


Wij gaan met ___ kinderen naar het strand

A

ons

B

onze

C

we

D


De boeken zijn van Adil en Nora.

Dit zijn ___ boeken.

A

onze

B

hun

C

jullie

D


Ik heb mijn broer niet gezien.

Ik heb ____ niet gezien.

A

hij

B

hem

C

haar

D

hen

De cursisten werken hard. ___ zijn goed bezig!

A

haar

B

zijn

C

zij

D

zei

____ test was goed!

A

ons

B

onze

C

wij

D

zij

Maryna heeft een cursus. De cursus is van ____

A

hem

B

zij

C

zijn

D

haar

Vul het pronomen in (kies onderaan)

  1. Sara heeft een zus. Ik ken haar goed.

  2. Jij hebt een nieuwe telefoon. Is dit jouw telefoon?

  3. Mijn broer is ziek. Ik bel hem vandaag.

  4. Peter en Anna hebben een huis. Het is hun huis.

  5. Wij hebben een groot huis. Het is ons huis.

  6. De kinderen spelen buiten. Ik roep hen voor het eten.

  7. Mama, wij hebben een probleem. Kun je ons helpen?

  8. Ik heb een cadeau voor jou en Mahmed. Het is voor jullie.

haar
jouw
hem
hun
ons
hen
ons
jullie
ik
mij
jou
wij