1A Isaac 2 module 10 Materie en het deeltjesmodel

Materie en het deeltjesmodel

1 / 43
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNatuurwetenschappenSecundair onderwijsA-stroomLeerjaar 2

This lesson contains 43 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min
Report this lesson

Items in this lesson

Materie en het deeltjesmodel

Open met de centrale vraag van de les: hoe kan onzichtbare materie toch verklaard worden met een model van deeltjes?

Lesdoel

Ik kan uitleggen hoe het deeltjesmodel helpt om aggregatietoestanden, faseovergangen en het verschil tussen fysische en chemische verschijnselen te begrijpen.

This item has no instructions

Video over de leerstof: het deeltjesmodel


This item has no instructions

Video over de leerstof: fase-overgangen


This item has no instructions

Video over de leerstof: zuivere stoffen en mengsels


This item has no instructions

Welke woorden passen volgens jou bij 'deeltjes in materie'?

Gebruik de woordwolk om voorkennis te activeren. Pik enkele woorden eruit zoals vast, water, lucht, bewegen, klein, warmte en laat leerlingen kort toelichten waarom ze dat woord kozen.

Materie is opgebouwd uit deeltjes

  • Alles om ons heen is materie: lucht, water, metaal, hout, ...

  • Voorwerpen zijn opgebouwd uit 1 of meerdere verschillende stoffen
    Zo is bv het voorwerp knikker gemaakt van de stof glas.

  • Materie is opgebouwd uit heel kleine deeltjes

  • Die deeltjes zijn te klein om met het blote oog te zien

  • Met het deeltjesmodel verklaren we hoe stoffen zich gedragen

Benadruk dat het deeltjesmodel een vereenvoudigd wetenschappelijk model is: het toont niet exact hoe deeltjes eruitzien, maar helpt gedrag van stoffen te verklaren.

Drie aggregatietoestanden

  • Een stof kan vast, vloeibaar of gasvormig zijn

  • Het verschil zit niet in de soort deeltjes, maar in hun onderlinge afstand en hoe ze bewegen

  • Temperatuur beïnvloedt hoe snel deeltjes bewegen waardoor stoffen van toestand kunnen veranderen

Vast

Vloeibaar

Gas

Koppel dit aan herkenbare voorbeelden zoals water, ijs en waterdamp. Vermijd nog detail over elke toestand; dat volgt op de volgende slides.

Hoe deeltjes zich gedragen

Vaste stof

  • Deeltjes zitten dicht bij elkaar

  • Ze hebben een vaste plaats

  • Ze trillen wel

  • Daarom heeft een vaste stof een eigen vorm

Vloeistof en gas

Vloeistof

  • Deeltjes zitten nog dicht bij elkaar

  • Ze kunnen langs elkaar bewegen

  • Daarom stroomt een vloeistof en heeft het geen eigen vorm

Gas

  • Deeltjes zitten ver uit elkaar

  • Ze bewegen snel in alle richtingen

Verduidelijk dat een gas geen eigen vorm of volume heeft, omdat de deeltjes zich vrij verspreiden.

Eén stof, drie toestanden

Water is een goed voorbeeld:

  • ijs = vaste stof

  • water = vloeistof

  • waterdamp = gas


De deeltjes blijven waterdeeltjes, maar hoe dicht ze bij elkaar zitten en hoe ze al dan niet bewegen verschilt.

Leg expliciet uit dat bij een faseverandering geen nieuwe stof ontstaat. Dat onderscheid is later belangrijk bij fysische versus chemische verschijnselen.

Temperatuur en deeltjesbeweging

Als een stof opwarmt, verhoogt de temperatuur en gaan de deeltjes sneller bewegen. Dit komt doordat je bij verwarmen meer thermische energie toevoegt.
Daardoor neemt de gemiddelde afstand tussen deeltjes vaak toe en zal een stof uitzetten.

Bij afkoelen bewegen deeltjes trager en komen ze meestal dichter bij elkaar waardoor een stof kan krimpen.

Dit is de dragende mechanistische slide van de les. Leg de link naar uitzetten en krimpen op de volgende slide.

Thermisch uitzetten en krimpen

  • Opwarming → deeltjes bewegen sneller → stof zet uit

  • Afkoeling → deeltjes bewegen trager → stof krimpt

  • Dit gebeurt bij vaste stoffen, vloeistoffen en gassen

  • Het effect is meestal het sterkst zichtbaar bij gassen, maar door hitteschade kan bv ook het wegdek beginnen barsten doordat het uitzet door de warmte

Je kunt hier voorbeelden noemen zoals spoorrails, een ballon in warme lucht of een metalen deksel dat losser komt bij opwarming.

Faseovergangen

De temperatuur van een stof bepaalt hoe snel de deeltjes bewegen. Door de temperatuur te veranderen, kan een stof dus ook van toestand veranderen!

  • Smelten: vast → vloeibaar

  • Stollen: vloeibaar → vast

  • Verdampen: vloeibaar → gas

  • Condenseren: gas → vloeibaar

  • Sublimeren: vast → gas

  • Rijpen: gas → vast

Gebruik eenvoudige voorbeelden: ijs smelt, water bevriest, een plas verdampt, dauw condenseert, droogijs sublimeert, rijm ontstaat op koude oppervlakken.

Wat verandert tussen ijs, water en waterdamp?

A

De naam van de stof

B

De samenstelling van de waterdeeltjes

C

De beweging van de deeltjes

D

Het is niet allemaal materie

Dezelfde stof blijft aanwezig: water. Niet de soort deeltjes verandert, wel hun beweging en onderlinge afstand.

Geef aan om wat voor type faseovergang het gaat:
Kaarsvet wordt vloeibaar

A

smelten

B

stollen

C

condenseren

D

verdampen

Dezelfde stof blijft aanwezig: water. Niet de soort deeltjes verandert, wel hun beweging en onderlinge afstand.

Geef aan om wat voor type faseovergang het gaat:
Wanneer je uitademt tegen een raam, wordt het raam troebel.

A

smelten

B

stollen

C

condenseren

D

verdampen

Dezelfde stof blijft aanwezig: water. Niet de soort deeltjes verandert, wel hun beweging en onderlinge afstand.

  • noteer bij elk deeltjesmodel de juiste toestand

  • noteer bij elke pijl de naam van de faseovergang

  • kleur pijlen waarbij toevoegen van warmte nodig is rood

  • kleur pijlen waarbij wegnemen van warmte nodig is blauw

This item has no instructions

  • noteer bij elk deeltjesmodel de juiste toestand

  • noteer bij elke pijl de naam van de faseovergang

  • kleur pijlen waarbij toevoegen van warmte nodig is rood

  • kleur pijlen waarbij wegnemen van warmte nodig is blauw

This item has no instructions

Vul de juiste begrippen in

Bij smelten gaat een stof van vast naar vloeibaar. Bij verdampen verandert een vloeistof in gas. Als een gas weer vloeibaar wordt, noem je dat condenseren.

smelten
verdampen
condenseren
stollen
rijpen
sublimeren
krimpen

Alle drie de begrippen komen letterlijk van de faseovergangenslide. Let erop dat leerlingen de richting van de overgang mee nadenken.

Wat doen deeltjes als een stof opwarmt?

Verwachte elementen: bij opwarming bewegen deeltjes sneller; de gemiddelde afstand neemt vaak toe; daardoor kan een stof uitzetten of van toestand veranderen.

Waarom zet een stof meestal uit bij opwarming?

A

Deeltjes krimpen

B

Deeltjes wegen meer

C

Deeltjes bewegen sneller

D

De stof verdwijnt

Koppel terug naar het mechanisme: snellere beweging leidt meestal tot grotere gemiddelde afstand tussen deeltjes.

Zuivere stof of mengsel

  • Een zuivere stof bestaat uit één soort deeltjes

  • Een mengsel bevat verschillende soorten deeltjes door elkaar

  • Op het zicht is dat niet altijd meteen duidelijk

  • Het verschil wordt helder op deeltjesniveau

Voorbeelden: zuiver water als zuivere stof; lucht of limonade als mengsel.

Deeltjesniveau van stoffen

  • Alle deeltjes zijn van dezelfde soort

  • Daarom zijn eigenschappen overal gelijk

  • Voorbeeld: alleen waterdeeltjes

Zuivere stof

Mengsel

  • Er zijn meerdere soorten deeltjes aanwezig

  • Die zitten door elkaar

  • Voorbeeld: lucht met stikstof-, zuurstof- en andere deeltjes

Je hoeft hier niet in te gaan op scheidingstechnieken; focus op het onderscheid in opbouw.

Atomen en moleculen

Deeltjes kunnen atomen of moleculen zijn.

Atomen zijn bouwstenen van moleculen die op hun beurt bepalen om welke stof het gaat.

Moleculen bestaan uit twee of meer atomen die met elkaar verbonden zijn.

Houd dit bewust kort en oriënterend, zoals gevraagd in de prompt.

Atoomsoorten

  • Elke atoomsoort heeft een eigen symbool

  • Voorbeelden:

    • C = koolstof

    • H = waterstof

    • O = zuurstof

    • Fe = ijzer

  • Verschillende combinaties van atomen vormen verschillende stoffen

Verbind dit met eerdere voorbeelden: hout bevat onder meer koolstofverbindingen; water bestaat uit waterstof en zuurstof.

De stof water bestaat uit moleculen H2O dat de atomen H en O bevat

Stof

Molecule

Atoom

Atoom

This item has no instructions

Fysisch of chemisch?

Niet elke verandering van materie is hetzelfde.

Soms verandert alleen de toestand of vorm van een stof.

Soms ontstaan er nieuwe stoffen.

Dat verschil noemen we fysische en chemische verschijnselen.

Gebruik de voorbeelden uit de prompt: smelten van ijs tegenover verbranden van hout.

Fysische en chemische verschijnselen

  • Er ontstaan één of meer nieuwe stoffen

  • De beginstoffen veranderen van samenstelling

  • Voorbeelden: hout verbranden, ijzer dat roest, het bakken van een ei, ...

Chemisch verschijnsel

  • Er ontstaat geen nieuwe stof

  • Alleen vorm, toestand of verdeling verandert

  • Voorbeelden: smelten van ijs, water dat verdampt, suiker oplossen

Fysisch verschijnsel

Maak het onderscheid op deeltjesniveau: bij fysisch blijven dezelfde deeltjes aanwezig; bij chemisch worden deeltjes herschikt tot nieuwe stoffen.

Kenmerken van een chemische reactie

  • Kleurverandering

  • Gasontwikkeling zoals belletjes of rook

  • Geurverandering

  • Soms ook warmte- of lichtontwikkeling

  • Deze kenmerken zijn aanwijzingen dat er nieuwe stoffen ontstaan die heel nieuwe eigenschappen heeft

Benadruk dat deze signalen aanwijzingen zijn, geen absoluut bewijs op zichzelf. Het kernidee blijft: er ontstaan nieuwe stoffen.

Voorstelling van een chemische reactie

  • Een chemische reactie kunnen we vaak voorstellen door een reactievergelijking.

  • In de reactie hieronder eindig je met 2 heel andere stoffen dan waarmee je begon. Dit zie je doordat de atomen andere bindingen zijn aangegaan.

Benadruk dat deze signalen aanwijzingen zijn, geen absoluut bewijs op zichzelf. Het kernidee blijft: er ontstaan nieuwe stoffen.

Vul de juiste woorden in

Bij een fysisch verschijnsel ontstaat geen nieuwe stof. Bij een chemisch verschijnsel ontstaan wel nieuwe stoffen. Een mogelijke aanwijzing is kleurverandering of gasontwikkeling.

fysisch
chemisch
kleurverandering
smelten
mengsel
verdampen
zuivere stof

De focus ligt op het kernonderscheid: nieuwe stoffen of niet. 'Kleurverandering' komt uit de kenmerken van een chemische reactie.

Wat is een mengsel op deeltjesniveau?

A

Eén soort deeltjes

B

Een molecule dat uit verschillende atomen bestaat

C

Meerdere soorten deeltjes

D

Enkel losse atomen

Een mengsel bevat verschillende soorten deeltjes door elkaar. 'Nieuwe stoffen samen' kan misleidend zijn, maar is geen goede definitie van een mengsel.

Welke erlenmeyer bevat een zuivere stof?

A

A

B

B

C

C

D

D

Een mengsel bevat verschillende soorten deeltjes door elkaar. 'Nieuwe stoffen samen' kan misleidend zijn, maar is geen goede definitie van een mengsel.

Vul de juiste begrippen in

Een zuivere stof bestaat uit één soort deeltjes. Een mengsel bevat verschillende soorten deeltjes. Een molecule bestaat uit twee of meer verbonden atomen.

zuivere stof
mengsel
molecule
atomen
atoom
chemisch verschijnsel
gas
waterstof

Controleer of leerlingen het onderscheid tussen stofniveau en deeltjesniveau begrijpen.

Welk proces is een chemisch verschijnsel?

A

IJs smelt

B

Water verdampt

C

Suiker lost op

D

Het zuur worden van melk

Bij hout verbranden ontstaan nieuwe stoffen. De andere opties zijn fysische veranderingen waarbij geen nieuwe stof ontstaat.

Hoeveel moleculen zie je hier afgebeeld?

A

1

B

2

C

3

D

geen

Bij hout verbranden ontstaan nieuwe stoffen. De andere opties zijn fysische veranderingen waarbij geen nieuwe stof ontstaat.

Hoeveel atomen zie je hier afgebeeld?

A

1

B

2

C

3

D

geen

Bij hout verbranden ontstaan nieuwe stoffen. De andere opties zijn fysische veranderingen waarbij geen nieuwe stof ontstaat.

Hoeveel hoeveel verschillende soorten atomen bestaat dit molecule?

A

1

B

2

C

3

D

geen

Bij hout verbranden ontstaan nieuwe stoffen. De andere opties zijn fysische veranderingen waarbij geen nieuwe stof ontstaat.

Wat is één inzicht dat je vandaag hebt geleerd?

Vrije reflectie. Mogelijke antwoorden: onderscheid fysisch/chemisch, faseovergangen, deeltjesbeweging, zuivere stof/mengsel, atomen en moleculen.

Wat hielp jou het meest om dit te begrijpen?

Vrije reflectie over het leerproces. Laat leerlingen concreet worden: voorbeeld, schema, vergelijking, quizvraag of uitleg van de leerkracht.

Hoe zeker voel je je nu over materie en het deeltjesmodel?

This item has no instructions

Begrippenlijst

materie - alles wat massa heeft en ruimte inneemt

deeltjesmodel - model dat materie voorstelt als opgebouwd uit kleine deeltjes

aggregatietoestand - toestand van een stof: vast, vloeibaar of gasvormig

faseovergang - overgang van een stof van de ene toestand naar de andere

fysisch verschijnsel - verandering waarbij geen nieuwe stof ontstaat

chemisch verschijnsel - verandering waarbij één of meer nieuwe stoffen ontstaan

thermisch uitzetten - groter worden van een stof door opwarming

This item has no instructions

Begrippenlijst

krimpen - kleiner worden van een stof door afkoeling

zuivere stof - stof die uit één soort deeltjes bestaat

mengsel - combinatie van verschillende soorten deeltjes

atoom - kleinste bouwsteen van een atoomsoort

molecuul - deeltje dat uit twee of meer verbonden atomen bestaat

sublimeren - overgaan van vast naar gas

rijpen - overgaan van gas naar vast

This item has no instructions