2B Herhaling 5.1 + 5.3

2B Herhaling 5.1 + 5.3
1 / 25
next
Slide 1: Slide
WiskundeSecundair onderwijs

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

2B Herhaling 5.1 + 5.3

Slide 1 - Slide

Een breuk
52
--> teller 
--> noemer

Slide 2 - Slide

Wie geeft het totaal aantal GELIJKE delen van het geheel weer?
A
teller
B
noemer

Slide 3 - Quiz

Welke breuk is dit?
A
87
B
81
C
71
D
77

Slide 4 - Quiz


Welke breuk is dit?
A
57
B
75
C
127
D
126

Slide 5 - Quiz

Welke breuk is dit?
A
7/12
B
6/7
C
7/1
D
7/6

Slide 6 - Quiz

Welke breuk is dit?

A
9/10
B
1/10
C
8/9
D
1/9

Slide 7 - Quiz

Waarom mag je niet zeggen
dat hier is aangeduid?
41

Slide 8 - Open question

Breuk nemen van een getal 
73
van 28 =  28 : 7 x 3 = 4 x 3 = 12
Het getal DELEN door de noemer en  KEER de teller! 

Slide 9 - Slide

van 80 =
83

Slide 10 - Open question

van 100 =
52

Slide 11 - Open question

van 36 =
61

Slide 12 - Open question

van 70 =
107

Slide 13 - Open question

Van breuk naar kommagetal
Breuk heeft noemer ....  --> dan .... cijfer(s) na de komma. 
noemer 10 -->      1 cijfer 
noemer 100 -->    2 cijfers 
noemer 1000 -->  3 cijfers 
10016=0,16
57=1014=1,4

Slide 14 - Slide

Zet de breuk om naar een kommagetal:

102
A
2
B
2,0
C
0,2
D
0,02

Slide 15 - Quiz

Zet de breuk om naar een kommagetal:

1007
A
0,7
B
0,07
C
0,70
D
7,00

Slide 16 - Quiz

Zet de breuk om naar een kommagetal:

208
A
0,4
B
0,04
C
0,004
D
0,40

Slide 17 - Quiz

Zet de breuk om naar een kommagetal :
100078

Slide 18 - Open question

Zet de breuk om naar een kommagetal :
256

Slide 19 - Open question

Zet de breuk om naar een kommagetal :
6036

Slide 20 - Open question

Van kommagetal naar breuk
   .... cijfer(s) na de komma  --> breuk heeft noemer ... 
1 cijfer                           -->                    noemer 10      
 2 cijfers                       -->                    noemer 100
 3 cijfers                       -->                    noemer 1000 
0,7=107
2,06=100206=50103

Slide 21 - Slide

Zet het kommagetal om naar een breuk: 0,03

A
103
B
10030
C
1003
D
3100

Slide 22 - Quiz

Zet het kommagetal om naar een breuk: 2,7

A
1027
B
10027
C
102,7
D
107

Slide 23 - Quiz

Zet het kommagetal om naar een basisbreuk: 1,8

A
1018
B
10018
C
59
D
509

Slide 24 - Quiz

Zet het kommagetal om naar een breuk: 0,93

Slide 25 - Open question