4.4 Evolutie in populaties


WAT
huiswerkcontrole vragen 
*lezen 4.4, 
*maken + nakijken opdr. 4.4
** oefenvragen Hardy Weinberg
** groene context opgaven 4.4
*** testjezelfs 4.1 - 4.4
HOE
individueel
in stilte


HULP NODIG
  1. kijk in de tekst in je basisstof
  2. schrijf je vraag op, vraag na afloop of tijdens een R-les aan je docent
  3. vinger omhoog zodra docent langs je tafeltje loopt
actie - IN STILTE
timer
15:00
1 / 29
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

This lesson contains 29 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson


WAT
huiswerkcontrole vragen 
*lezen 4.4, 
*maken + nakijken opdr. 4.4
** oefenvragen Hardy Weinberg
** groene context opgaven 4.4
*** testjezelfs 4.1 - 4.4
HOE
individueel
in stilte


HULP NODIG
  1. kijk in de tekst in je basisstof
  2. schrijf je vraag op, vraag na afloop of tijdens een R-les aan je docent
  3. vinger omhoog zodra docent langs je tafeltje loopt
actie - IN STILTE
timer
15:00

Slide 1 - Slide

Juist of onjuist: een soort is groter dan een populatie
A
Juist
B
Onjuist

Slide 2 - Quiz

Een populatie bestaat uit individuen van verschillende soorten.
A
juist
B
onjuist

Slide 3 - Quiz

Een populatie is een groep organismen van 1 soort in 1 gebied.
Wat is een goed voorbeeld?
A
mussen en merels in de tuin
B
alle huisdieren van Nederland
C
alle dolfijnen in de zeeën
D
de otters in de Weerribben

Slide 4 - Quiz

Het is niet altijd duidelijk wat een soort is. Elke letter stelt een populatie voor. Overlap betekent dat ze onderling vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen. Hoeveel soorten zijn er?
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 5 - Quiz

Als in een populatie een belangrijke mutatie optreedt, ontstaat een nieuwe soort.
A
juist
B
onjuist

Slide 6 - Quiz

Hoeveel soorten olifanten
zie je hier? Leg je antwoord uit.
Indische olifant (Elephas maximus)
Afrikaanse olifant (Loxodonta africana)

Slide 7 - Open question

4.4 Evolutie in populaties

Slide 8 - Slide

Genenpool van een populatie
allelfrequentie: hoe vaak een allel voorkomt in een populatie, getal tussen de 0 en de 1
bv:: dominant allel B: 7 / 14 = 0,5
recessief allel b: 7 / 14 = 0,5
p = de allelfrequentie van allel B
q = de allelfrequentie van allel b
In dit geval: p =0,5   en    q= 0,5

Slide 9 - Slide

         Hardy                Weinberg
CONSTANTE ALLELFREQUENTIE           wet van Hardy-Weinberg
(berekenen van allelfrequenties als alleen fenotypen bekend zijn)
-grote populatie
-geen sprake van natuurlijke selectie
-geen mutaties
-geen migraties

Hardy-Weinberg-evenwicht = 
de allelfrequenties door de generaties heen blijven constant. 

Slide 10 - Slide

Hardy-Weinberg - evenwicht
voorwaarden: 
geen mutatie, 
geen migratie, 
alle paringen zijn op toeval
berust
geen natuurlijke selectie

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Slide

Hardy Weinberg evenwicht
je kijkt naar 1 populatie, naar 1 eigenschap
ieder individu heeft 2 genen per erfelijke eigenschap (AA, Aa, aa)
p = frequentie van A       bv. p = 0,6
q = frequentie a        bv. q= 0,4
p+q = 1
AA = 
aa = 
Aa = 2pq

p2
q2

Slide 14 - Slide

Losse oorlel = A,   vergroeide oorlel = a
64% van de mensen heeft losse oorlel
Losse oorlel = AA + Aa                                                            aa = 
Vergroeide oorlel = aa                                           frequentie = percentage : 100

aa =          = 36% = 0,36                      =  0,36                       q = 

q = 0,6 dus p  = 0,4             , want     p+q = 1

Welk percentage van de bevolking is heterozygoot? Aa = 2pq = ?
q2
q2
q2
0,36=0,6

Slide 15 - Slide

Mensen hebben een vergroeide of een losse oorlel. Vergroeide oorlel is dominant = A. Losse oorlel is recessief = a. 
64% van de bevolking heeft een vergroeide oorlel. 


Hoeveel % van de bevolking is heterozygoot?

Slide 16 - Slide

64% van de bevolking heeft  een vergroeide oorlel. 
Vergroeid = A, los = a
Hoeveel % van de bevolking is heterozygoot?
64% heeft dominante fenotype vergroeid = Aa of AA, 
hoeveel van welke weet je niet (2pq+p2 =0,64)
100%-64% = 36% heeft een losse oorlel en dus aa
aa = q2  = 0,36                 frequentie van a = q = wortel van 0,36
q = 0,6
p+q = 1,          p = 1-0,4 = 0,6

Slide 17 - Slide

p = 0,6  en q = 0,4
Hoeveel % van de bevolking is heterozygoot?

Aa = 2pq
2pq = 2 x 0,4 x  0,6 = 0,48

Antwoord: 48% is heterozygoot

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Link

Genetic drift
Bij genetic drift verandert een genenpool door puur toeval
Bij kleine populaties heeft dit grote gevolgen.

Slide 20 - Slide

genetic drift #1: Founder effect

Slide 21 - Slide

genetic drift #2:  Bottleneck effect

Slide 22 - Slide

Co-evolutie
Co-evolutie = evolutie waarbij soorten zich aan elkaar aanpassen en gezamenlijk evolueren.

  • Wapenwedloop tussen roofdier en prooi
  • Salamander maakt gifstof => de slang heeft een resistentie door mutaties en selectiedruk.
  • Samenwerkingsverbanden tussen bloemen en hun bestuivers.

Slide 23 - Slide


WAT
* lezen, maken, nakijken 4.4
** testjezelf 4.4
** groene context opgaven 4.4
*** lezen, maken, nakijken 4.5
HOE
individueel
in stilte


HULP NODIG
  1. kijk in de tekst in je basisstof
  2. schrijf je vraag op, vraag na afloop of tijdens een R-les aan je docent
  3. vinger omhoog zodra docent langs je tafeltje loopt
actie - IN STILTE
timer
15:00

Slide 24 - Slide

  • dfsd




  • koppel aan de vraag: geen losse definitie
  • werkwoord: aanpassen: NIET gebruiken 

Slide 25 - Slide

Neodarwinistische evolutietheorie  

Gaat uit van: 
  1. Diversiteit in genotype, door mutaties en recombinatie 
  2. Natuurlijke selectie:  Individuen met de gunstigste eigenschappen hebben grootste overlevingskans 
  3. Deze individuen  planten zich voort en geven deze eigenschap door
  4. Soortvorming door reproductieve isolatie: paragraaf 4.7


Slide 26 - Slide

Evolutie oefenvraag
Dolfijnen zijn afstammelingen van de Indohyus. Dit was een landzoogdier dat zo’n vijftig miljoen jaar geleden in het water ging leven. In de loop der jaren ontwikkelde zich bij de voorouders van de dolfijn de staart, waardoor huidige doflijnen een staartvin bezitten.
Leg uit hoe de staartvin in de loop van de evolutie steeds groter is geworden.

Slide 27 - Slide

ANTWOORD
  1. Door mutatie en recombinatie was er genetische variatie in de grootte van de staartvin. 
  2. Individuen met een grotere staartvin kunnen sneller zwemmen en daardoor meer voedsel kon vangen en minder snel als prooi worden opgegeten.
  3. Doordat de individuen met de (grotere) staartvin in het voordeel waren, kreeg deze meer nakomelingen met een staartvin en gaven deze eigenschap (grotere vin) door.

Slide 28 - Slide

Hoe ontstaat de resistentie tegen azolen bij de Aspergillus-schimmels?
Jaarlijks sterven in Nederlandse ziekenhuizen tientallen patiënten met een verzwakte afweer aan de gevolgen van agressieve schimmelinfecties. Die schimmelinfecties zijn steeds vaker niet of nauwelijks te bestrijden, omdat ze veroorzaakt worden door schimmels die resistent zijn voor azolen, de chemische bestrijdingsmiddelen die tegen schimmels worden ingezet.
Vroeger kwamen resistente schimmels nauwelijks voor. Arts-microbioloog Paul Verweij van het Radboud UMC in Nijmegen vermoedt dat het veelvuldige gebruik van azolen als bestrijdingsmiddel in de landbouw, als bestanddeel van schimmelwerende verf en in beschermlagen van matrassen, ermee te maken heeft.
Onderzoekers verwachten dat steeds meer van dit soort schimmels resistent zullen worden. In sommige academische ziekenhuizen is nu al meer dan 8% van alle Aspergillus-schimmels resistent tegen azolen.


Slide 29 - Slide