Schrijven- Je kan in korte zinnen, vertrouwde dingen beschrijven. (Schritt 20)
Luisteren- Je kan verstaan, wat er in alledaagse korte gespreken gezegd wordt. (Schritt 18)
grammatica- Haben, sein, werden verleden tijd
Slide 2 - Slide
Lernziele für heute
Am Ende der Stunde:
-weet je de vormen van haben en sein in de verleden tijd.
-heb je oefeningen in gemaakt met haben en sein in de verleden tijd.
Slide 3 - Slide
haben en sein verleden tijd
Als je iets meegemaakt hebt en je wilt erover vertellen,
gebruik de verleden tijd.
voorbeeld:
Ich war letzte Woche in Berlin.
Ich hattegestern keine Lust Hausaufgaben zu machen.
Wat drukken de rode woorden uit in de zin?
Slide 4 - Slide
De werkwoorden haben en sein worden in de verleden tijd ook onregelmatig vervoegd, net als in de tegenwoordige tijd.
Om haben en sein te kunnen vervoegen moet je de rijtjes uit je hoofd leren!
Slide 5 - Slide
Haben tegenwoordige tijd
(präsens):
ich habe
du hast
er/sie/es hat
wir haben
ihr habt
sie/Sie haben
Haben verleden tijd
(präterium):
ich hatte
du hattest
er/sie/es hatte
wir hatten
ihr hattet
sie/Sie hatten
Slide 6 - Slide
sein (=zijn) tegenwoordige tijd
(präsens)
ich bin
du bist
er/sie/es ist
wir sind
ihr seid
sie/Sie sind
sein (=zijn) verleden tijd
(präterium)
ich war
du warst
er/sie/es war
wir waren
ihr wart
sie/Sie waren
Slide 7 - Slide
haben en sein
Hoe leer je dit?
Herhaal de persoonlijke voornaamwoorden.
Herhaal haben en sein in de tegenwoordige tijd.
Leer de rijtjes in de verleden tijd uit je hoofd:
overschrijven, hardop uitspreken, overhoren en voorbeeld zinnen maken.
Slide 8 - Slide
Aufgabenblatt
Aufgabe 1 und 2 machen wir zusammen
Aufgabe 3 Lees de tijdsaanduiding en vul de juiste vorm in (haben/sein, tegenwoordig of verleden tijd).Aufgabe 18, vul de juiste vorm van haben en sein in de verleden tijd in.
Aufgabe 4+ 5 vul de juiste vorm van van haben en sein in de Verleden tijd in. (huiswerk)