KP-2 Les 3

Kostprijs-2 Les 3: Kostensoorten (TOETS)
1 / 22
next
Slide 1: Slide
KP-2Tertiary Education

This lesson contains 22 slides, with text slides.

Items in this lesson

Kostprijs-2 Les 3: Kostensoorten (TOETS)

Slide 1 - Slide

Lesplanning

Slide 2 - Slide

Inhoud 
Hoofdstuk 1: kosten en kostencategorie
2.1 De onderneming opgave  1 t/m 11
2.2 Hoe ontstaan kosten opgave 12 t/m 14


Slide 3 - Slide

2.1 Kosten van grond- en hulpstoffen (TOETS)
Als ze op de toets vragen (wees specifiek).
Wat is het verschil tussen grond-en hulpstoffen?
  • Grondstoffen: stoffen die tijdens het productieproces verbruikt worden en in het eindproduct terechtkomen. (vb. Papier en verf)

  • Hulpstoffen:  stoffen die tijdens het productieproces verbruikt worden maar NIET in het eindproduct terechtkomen. (vb. gas, elektriciteit)

Slide 4 - Slide

2.1 Kosten van grond en hulpstoffen (TOETS)
Hoe bereken we de kosten van grond en hulpstoffen?

Bruto(verbruik) ---> ALTIJD 100%
Afval -/-
Netto(verbruik)

Slide 5 - Slide

Brutoverbruik en Nettoverbruik
Wat is het verschil tussen brutoverbruik en nettoverbruik?

  • Brutoverbruik: De hoeveelheid materiaal die nodig is om een product te maken

  • Nettoverbruik: De hoeveelheid materiaal die uiteindelijk in het eindproduct terechtkomt. 

Slide 6 - Slide

Afval
Afval =>
Is de hoeveelheid grondstof die verloren gaat tijdens het productieproces, doordat niet alle grondstof in het eindproduct kan worden verwerkt.
Vb. sas di palo, resto di tela enz. 

De afval wordt ALTIJD berekend over het BRUTOVERBRUIK. Indien brutoverbruik niet gegeven dan ALTIJD op 100% vaststellen.

Slide 7 - Slide

Afval
Als je het Brutoverbruik van een product gaat berekenen in geld, dan gebruik je altijd de prijs waarvoor je het materiaal (grondstof) hebt gekocht (betaald). 
b.v. Je koopt een plywood bij Kooiman.​

  • Afval wordt gebruikt bij het produceren van het product. 
  • Het product is nog niet gekeurd. 
  • Men spreekt dan van een ongekeurd product.

Slide 8 - Slide

Uitval
Uitval =>het afgekeurd product.

Uitval= ontstaat op het moment dat het geproduceerd product gekeurd wordt. Het product is helemaal geproduceerd (gereed product) en wordt nu gecontroleerd of er geen beschadigingen zijn.

Deze producten voldoen niet aan de gestelde eisen en worden daardoor afgekeurd.
Vb. e stoel no ta level.

Slide 9 - Slide

Afval en Uitval
Afval is verschil tussen het netto- en brutoverkoop.
Afval is onvermijdbaar en moet altijd in de kostprijs worden opgenomen. 
Afval
Uitval
Gebeurt aan tijdens het productieproces
Nog niet gekeurd
Gebeurt aan de einde van het productieproces

Is grondstof 
Vb. sas di palo
 Zijn gehele producten
Vb. e stoel no ta level.

Slide 10 - Slide

De afval en uitval kunnen op 3 manieren gewaardeerd worden, namelijk;


1. De afval/uitval heeft geen waarde (0).
2. De afval/uitval wordt verkocht. (–) hier ontvang je geld.
     De kosten worden  minder.
3. De afval/uitval wordt opgeruimd (+) hier moet je betalen. 
     De kosten worden meer.

Slide 11 - Slide

Voorbeeld Afval:
  • Je produceert een houten tafel nettoverbruik 5m2 hout tegen afl. 23, - per m2.
  • Afval is 2%.
  • Aan arbeid hebben we nodig 2 uur á afl. 12,50 per uur. 
  • Machine kosten 1 1/2 uur á afl. 6, - per uur.

Gevraagd:
A.Bereken het brutoverbruik.
B.Bereken de kostprijs van één ongekeurd product, indien: 
1.De afval geen waarde heeft. (O)
2.De afval verkocht wordt voor afl. 1, - per afgekeurde m2 (-)
3.De afval opgeruimd wordt voor afl. 2, - per m2 (+)

Slide 12 - Slide

A. Bereken het brutoverbruik.

Bruto 100%                         Bruto = 100/98 x 5,0 =  5,1 m2
Afval   - 2%                          Afval                           =  0,1 m2-
Netto  98%       5m2          Netto                             =  5.0 m2 (gegeven)
   
Nettoverbruik is wat het product werkelijk nodig heeft.
Brutoverbruik is wat je moet kopen om zo tot je nettoverbruik te komen.
Het de nettoverbruik wordt daarna niet meer gebruikt.

Slide 13 - Slide

b. Bereken de kostprijs van één ongekeurd product

Slide 14 - Slide

Voorbeeld Uitval:
Voor het produceren van de houten tafel is de kostprijs afl. 151,50. De tafel wordt gecontroleerd en er is sprake van 10% uitval.

C. Berekend de kostprijs van één goedgekeurd product indien:
 1.Uitval geen waarde heeft.
2.Uitval verkocht wordt voor afl. 5 per afgekeurd product. 
3.Uitval opgeruimd wordt voor afl. 3 per afgekeurd product.
D. Bereken de kostprijs voor 20 goedgekeurde producten.

Slide 15 - Slide

Voorbeeld Uitval

Slide 16 - Slide

2.2 Kosten van belasting
  • Kostprijsverhogende belasting
  • Winstbelastingen
  • BTW

Slide 17 - Slide

2.2 De kosten van belastingen
Drie belasting waar de onderneming mee te maken heeft:
  • Belasting die worden ontvangen en moet worden afgedragen naar de fiscus (belastingdienst);
  • Belastingen die moeten worden afgedragen en niet tot de kosten horen;
  • Belastingen die moeten worden afgedragen en die tot de kosten behoren 

Slide 18 - Slide

2.2.1 Belasting die worden ontvangen en moet worden afgedragen naar de fiscus (belastingdienst)
  • Op het kopen en verkopen van goederen rust een belasting;
  • Dit is de belasting op de toegevoegde waarde of de BTW;
  • De verkoopprijs van een product bestaat uit: kostprijs, winst en BTW
  • Wie betaalt uiteindelijk de BTW?  De consument.

  • Bedrijven die producent en eindproducten maken, betalen weliswaar ook die BTW als ze grond en hulpstoffen inkopen, maar ze krijgen die eerst betaalde belasting ook weer terug. 

Slide 19 - Slide

Belastingen die moeten worden afgedragen en niet tot de kosten horen
  • Als een ondernemer een product verkoopt voor een bedrag dat hoger is dan de kosten voor dat product bedragen, is er sprake van winst.
  • Over de gemaakte winst heft de overheid belasting.
  • Hoe gebeurt dit? Via inkomstenbelasting, of via vennootschapsbelasting.
  • Wie betaalt dit? De ondernemer.
  • Ze behoren niet tot de de kosten, maar ze verlagen de winst.

Slide 20 - Slide

Belastingen die moeten worden afgedragen en die tot de kosten behoren 
  • Als een ondernemer grondstoffen in het buitenland koopt, moeten daar soms invoerrechten worden betaald. 
  • De kosten van de invoerrechten worden in de kostprijs van de producten doorberekend.
  • Andere voorbeelden zijn: accijnzen (tabak & alcohol), motorrijtuigenbelasting van bedrijfswagens, onroerendezaakbelasting enz.

Slide 21 - Slide

The end!

Slide 22 - Slide