2 kgt 2.3 Lezen

2.3 Lezen
1 / 50
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo k, tLeerjaar 2

This lesson contains 50 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

2.3 Lezen

Slide 1 - Slide

IN DEZE PARAGRAAF HERHAAL JE:
  • Wat je geleerd hebt in leerjaar 1:
- de tekstdoelen informeren, overtuigen, activeren, amuseren;
- verwijswoorden.

Slide 2 - Slide

IN DEZE PARAGRAAF LEER JE:

- de tekstdelen inleiding, kern en slot herkennen;
- de signaalwoorden herkennen die een voorbeeld aangeven.

Slide 3 - Slide

Weet je het nog? Tekstdoelen 1
tekstdoel
de schrijver wil
voorbeelden
informeren
de lezen informatie geven over een bepaald onderwerp.
- nieuwsbericht
- tekst uit een schoolboek

amuseren
dat de lezer plezier heeft in het lezen van een tekst.
- leesboek
- stripverhaal
- mop

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Tekstdoelen 2
tekstdoel
de schrijver wil
voorbeelden
overtuigen
dat de lezer zijn mening overneemt
- filmbespreking
- (online) beoordeling van een hotel

activeren
dat de lezer iets gaat doen; dat de lezer in actie komt
- advertentie
- reclamefolder
- uitnodiging voor een feest

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Slide


Wat is het doel van deze tekst?
A
informeren
B
activeren
C
overtuigen
D
amuseren

Slide 11 - Quiz


Wat is het tekstdoel?
A
informeren
B
activeren
C
overtuigen
D
amuseren

Slide 12 - Quiz

Wat is de tekstsoort?
A
aankondiging
B
nieuwsbericht
C
artikel
D
oproep

Slide 13 - Quiz


Een leesboek heeft als tekstdoel...
A
informeren
B
activeren
C
overtuigen
D
amuseren

Slide 14 - Quiz

Een advertentie voor de nieuwste Playstation heeft als belangrijkste tekstdoel ...
A
overtuigen
B
activeren
C
amuseren
D
informeren

Slide 15 - Quiz


Wat is het doel
van deze tekst?

A
informeren
B
activeren/overhalen
C
amuseren
D
overtuigen

Slide 16 - Quiz

Wat is het tekstdoel van een uitnodiging voor een schoolfeest?
A
amuseren
B
informeren
C
activeren/overhalen
D
overtuigen

Slide 17 - Quiz

Wat is het tekstdoel van een handleiding?
A
amuseren
B
informeren
C
activeren/overhalen
D
overtuigen

Slide 18 - Quiz

Als journalisten in de krant een kort stukje schrijven over hoe ze de film vonden, welk tekstdoel heeft dit stukje tekst dan?
A
Amuseren
B
Informeren
C
Activeren/overhalen
D
Overtuigen

Slide 19 - Quiz

Verwijswoorden

  • Wat zijn verwijswoorden ook alweer?

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Slide

Alle leerlingen hebben hun huiswerk gemaakt. Zij verdienen een compliment.

Waarnaar verwijst het woord 'zij'?

Slide 22 - Open question

Willem Alexander is onze koning. Sinds kort heeft hij een baard.

Waarnaar verwijst het woord 'hij'?

Slide 23 - Open question

In de kantine van de voetbalclub is het iedere zondag feest. Na alle wedstrijden eten we daar altijd friet met snacks.

Waarnaar verwijst het woord 'daar'?

Slide 24 - Open question

Tess is altijd te laat. De docenten vinden dat ze eerder moet opstaan.

Wat is het verwijswoord in deze zin?

Slide 25 - Open question

Klas 2KA is in het gymlokaal altijd lekker fanatiek. Gelukkig hebben ze daar geluidsdichte muren.

Wat is het verwijswoord in deze zin?

Slide 26 - Open question

OPBOUW VAN EEN TEKST
In een goed geschreven tekst staat de informatie in een logische volgorde. Deze volgorde noem je de tekstopbouw. Als je een tekst verkennend leest, kun je de opbouw vaak al herkennen.

Slide 27 - Slide

De volgende manieren twee manieren om een tekst op te bouwen kom je vaak tegen:
indeling tekst
verdeeld in
voorbeeld
tweedeling
inleiding - kern
nieuwsbericht
driedeling
inleiding - kern - slot
verslag

Slide 28 - Slide

INLEIDING
kort
Kennismaken met het onderwerp
Functie: trekt de aandacht van de lezer
Door een voorbeeld of anekdote (grappig verhaaltje)

Bestaat vaak uit één alinea, maar kan ook meer

Slide 29 - Slide

KERN
langste deel van de tekst
behandelt het onderwerp
In de kern lees je vaak over deelonderwerpen

Slide 30 - Slide

SLOT
Bevat meestal een samenvatting of
conclusie.
Het bevat geen nieuwe informatie.
Krantenberichten hebben vaak 
geen slot.

Slide 31 - Slide

Slide 32 - Slide

Vul in:
Het slot is ... de laatste alinea van de tekst.
A
nooit
B
soms
C
meestal
D
altijd

Slide 33 - Quiz

Uit welke tekstdelen bestaat een tekst in elk geval?
A
inleiding, kern en slot
B
inleiding en kern
C
inleiding en slot
D
kern en slot

Slide 34 - Quiz

In welk onderdeel van de tekst worden de deelonderwerpen uitgewerkt?
A
inleiding
B
kern
C
slot

Slide 35 - Quiz

Inleiding
Kern
Slot

Slide 36 - Drag question

Waar of niet waar: een krantenartikel heeft altijd een slot.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 37 - Quiz

Waar of niet waar:
Deelonderwerpen komen voor in de inleiding
A
Waar
B
Niet waar

Slide 38 - Quiz

Op welke plaats in een tekst hoort een conclusie?
A
slot
B
inleiding
C
kern
D
kern of slot

Slide 39 - Quiz

In hoofdstuk 1 hebben we deze tekstverbanden uit leerjaar 1 herhaald:
tekstverband
signaalwoorden
opsomming
ten eerste, ook, bovendien, zowel... als, ten slotte
tijdsvolgorde
eerst, voor het eerst. terwijl, nadat, voordat, daarna, vervolgens, ten slotte
tegenstelling
maar, echter, evenwel, toch, daarentegen, integendeel

Slide 40 - Slide

Tekstverband:

Voorbeeld

Slide 41 - Slide

Voorbeeld
Er zijn ook signaalwoorden die een voorbeeld aangeven: bijvoorbeeld, zoals, ter illustratie.
Voorbeeldzin:
In de natuur komen veel verschillende slangen voor, zoals adders en ringslangen.
Aan het signaalwoord 'zoals' je dat er voorbeelden worden gegeven van verschillende soorten slangen.

Slide 42 - Slide

WAAR
 NIET
WAAR
Signaalwoorden geven alleen verbanden aan tussen woorden en zinnen.
Een signaalwoord zorgt ervoor dat je een bepaald verband kunt herkennen.
Een tegenstelling geeft aan dat dingen hetzelfde zijn.

Slide 43 - Drag question

Welk tekstverband vind je in deze zin?
Terwijl ik huiswerk maakt, luisterde ik naar muziek.
A
opsomming
B
tijdsvolgorde
C
tegenstelling
D
voorbeeld

Slide 44 - Quiz

Welk tekstverband vind je in deze zin?
Op Netflix kijk ik vaak anime, zoals Guilty CrownKakegurui en Erased.
A
opsomming
B
tijdsvolgorde
C
tegenstelling
D
voorbeeld

Slide 45 - Quiz

Welk tekstverband vind je in deze zin?
Mijn zusje houdt niet van zoete dingen, maar mijn broertje snoept de hele dag. 
A
opsomming
B
tijdsvolgorde
C
tegenstelling
D
voorbeeld

Slide 46 - Quiz

Welk tekstverband vind je in deze zin?
Zo eet hij bijvoorbeeld twee frikandelbroodjes, een zak drop en een paar repen chocolade.  
A
opsomming
B
tijdsvolgorde
C
tegenstelling
D
voorbeeld

Slide 47 - Quiz

Welk tekstverband vind je in deze zin?
Ik kijk veel Netflix. Daarnaast zit ik op voetbal en schaatsen. Ook werk ik bij Albert Heijn.
A
opsomming
B
tijdsvolgorde
C
tegenstelling
D
voorbeeld

Slide 48 - Quiz


Heb je alles begrepen?
A
Ja!
B
Bijna alles. Ik de theorie nog een keer door in mijn boek.
C
Nee, ik wil graag extra uitleg. Ik steek mijn hand op.

Slide 49 - Quiz

OPDRACHTEN
BLADZIJDE 108-118
Maak opdracht 1 t/m 15

Slide 50 - Slide