H4 Chemische reacties

H4 Chemische reacties
4.1 Kenmerken van een reactie
4.2 Reactievergelijkingen
4.3 Rekenen aan reacties
1 / 28
next
Slide 1: Slide
ScheikundeMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

H4 Chemische reacties
4.1 Kenmerken van een reactie
4.2 Reactievergelijkingen
4.3 Rekenen aan reacties

Slide 1 - Slide

Faseverandering
Stoffen lijken te veranderen
maar er is geen chemische reactie.

H2O (s) --> H2O (l)

De moleculen veranderen niet!


Slide 2 - Slide

Chemische reactie
Bij een chemische reactie verdwijnen de beginstoffen en worden de reactieproducten gevormd. 

Slide 3 - Slide

Welke van de onderstaande reacties is een voorbeeld van een chemische reactie?
A
Het smelten van kaarsvet
B
Het roesten van ijzer
C
IJs dat ontstaat door het stollen van water
D
Als suiker verwarmd wordt het karamel

Slide 4 - Quiz

Exotherm vs. Endotherm
Exotherm : Reactie waarbij energie vrijkomt
Endotherm : Reactie waarbij energie wordt opgenomen

Slide 5 - Slide

Endotherm

Wanneer je steeds energie moet toevoegen om er voor te zorgen dat de reactie doorgaat, is de reactie endotherm.


Wanneer de energietoevoer stopt, stopt de reactie ook.

(bijv: het koken van een ei)



Slide 6 - Slide

Exotherm

Wanneer bij de reactie energie vrijkomt, is de reactie exotherm.

Ook wanneer je de reactie opgang moet brengen is de reactie exotherm.

(bijv: een kaars aansteken)


Alle verbrandingen zijn exotherm



Slide 7 - Slide

Welke reactie is endotherm?
A
Het stollen van ijs
B
Verbranding van aardappelen in je lichaam
C
Condenseren van waterdamp
D
Het smelten van ijs

Slide 8 - Quiz

Welk proces is exotherm?
A
Het bakken van een ei
B
Het smelten van kaarsvet
C
Het verbranden van aardgas
D
Het koken van water

Slide 9 - Quiz

Welke reactie is een chemische reactie én exotherm?
A
Het smelten van kaarsvet
B
Verbranden van een lucifer
C
Fotosynthese in planten
D
Het stollen van kaarsvet

Slide 10 - Quiz

Wet van behoud van massa
Massa van de beginstoffen = Massa van de reactieproducten

Slide 11 - Slide

Wet van behoud van massa
Er kan geen massa verschijnen of verdwijnen.

Slide 12 - Slide

Reactiesnelheid factoren
  1. Soort beginstof
  2. Verdelingsgraad
  3. Concentratie
  4. Temperatuur
  5. Katalysator 

Slide 13 - Slide

Welke reactie verloopt het snelst?
A
De reactie tussen magnesiumlint en azijnzuur bij 20 C
B
De reactie tussen magnesiumlint en azijnzuur bij 80 C
C
De reactie tussen magnesiumpoeder en azijnzuur bij 20 C
D
De reactie tussen magnesiumpoeder en azijnzuur bij 80 C

Slide 14 - Quiz

Wat gebeurt er met de reactiesnelheid als je de beginstoffen in een bak met ijswater zet?
A
Reactiesnelheid gaat omhoog
B
Reactiesnelheid blijft gelijk
C
Reactiesnelheid gaat omlaag

Slide 15 - Quiz

Als je de temperatuur verlaagt,
wordt de reactietijd...?
A
groter
B
kleiner
C
blijft gelijk

Slide 16 - Quiz

Bij het gebruik van een katalysator komt bij een exotherme reactie meer reactiewarmte vrij, omdat de reactiesnelheid hoger wordt.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 17 - Quiz

4.2 Reactievergelijkingen

Slide 18 - Slide

Stappenplan reactievergelijking
  1. Stel reactieschema op
  2. Vervang elke stofnaam door de bijbehorende formule
  3. Stel de kloppende reactievergelijking op
  4. Controleer of de reactievergelijking klopt 

Slide 19 - Slide

Reactieschema maken
Koolstof reageert met zuurstof tot koolstofmono-oxide
1: welke stof(fen) is/zijn de beginstoffen
2: welke stof(fen) is/zijn de eindproducten
Maak je reactieschema     (met + -> )

koolstof + zuurstof (g) -> koolstofmono-oxide

Slide 20 - Slide

Reactievergelijking maken
Je begint met je reactieschema:
koolstof (s) + zuurstof (g) -> koolstofmono-oxide (g)

Stoffen eronder zetten
C (s) + O2 (g) --> CO (g)

Kloppend maken
2 C (s) + O2 (g) -->2  CO (g)

Slide 21 - Slide

Welke kloppende reactievergelijking hoort bij dit reactieschema?
zwavel (s) + zuurstof (g) -> zwaveldioxide (g)
A
B
C
D

Slide 22 - Quiz

Welke coëfficiënten moet je invullen om de reactie kloppend te maken?

...P(s)+...Cl2>...PCl5
A
1-2-5
B
2-5-2
C
2-2-5
D
1-5-2

Slide 23 - Quiz

4.3 Rekenen aan reacties

Slide 24 - Slide

Fe(s) + S(s) -> FeS(s)
Verhouding van de atomen is 1 : 1
Massaverhouding 55,9 : 32,1
Massa's van atomen  kun je aflezen in een periodiek systeem

Slide 25 - Slide

HCl (g) + NH3 (g) -> NH4Cl (s)
3,6 mg + 1,7 mg -> X mg
Welk getal moet op de plaats van X?
A
1,7
B
2,65
C
3,6
D
5,3

Slide 26 - Quiz

Mg reageert met zuurstof in de massaverhouding 24.3 : 16,0. Hoeveel gram zuurstof reageert met 8,50 g Mg?(Rekenmachine)
A
12,9 g zuurstof
B
5,6 g zuurstof
C
8,5 g zuurstof
D
16,0 g zuurstof

Slide 27 - Quiz

Koolstof reageert met zuurstof in de massaverhouding 12,0 : 32,0. Hoeveel gram koolstof reageert er met 45,0 g zuurstof?
A
8,5 gram koolstof
B
45,0 gram koolstof
C
16,9 gram koolstof
D
12,0 gram koolstof

Slide 28 - Quiz