Werkwoorden

Woordsoorten - werkwoorden
Hulpwerkwoord -  Zelfstandig werkwoord - Koppelwerkwoord
1 / 19
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1,2

This lesson contains 19 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Woordsoorten - werkwoorden
Hulpwerkwoord -  Zelfstandig werkwoord - Koppelwerkwoord

Slide 1 - Slide

Wat leer je vandaag?
  1. Wat de verschillende werkwoorden zijn: hulpwerkwoord-zelfstandig werkwoord - koppelwerkwoord.
  2. Wat de verschillende tussen de werkwoorden zijn.
  3. Hoe je de verschillende werkwoorden kunt herkennen en benoemen.

Slide 2 - Slide

Een voorbeeld
  1. Mijn vader zwemt elke zondagochtend twintig banen in het zwembad. 
  2. Mijn vader wil heel graag gaan zwemmen
  3. Mijn vader is een hele goede zwemmer.

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Video

Slide 5 - Video

Kortom:
1. Een ( enkelvoudige) zin heeft ALTIJD maar 1 koppelwerkwoord OF 1 zelfstandig werkwoord

2. Het koppelwerkwoord of het zelfstandig werkwoord is het belangrijkste werkwoord in de zin!

Slide 6 - Slide

Zelfstandig werkwoord
Een zelfstandig werkwoord => werkwoordelijk gezegde 
In de zin vindt een handeling plaats (er wordt iets gedaan!)

- er staat dus maar een zelfstandig werkwoord in een zin.
- alle andere werkwoorden zijn hulpwerkwoorden


Slide 7 - Slide

Koppelwerkwoord
Een koppelwerkwoord => naamwoordelijk gezegde 
In een zin met een koppelwerkwoord wordt een toestand/eigenschap aangegeven ( Iemand "is" iets!)
- er staat dus maar een koppelwerkwoord in een zin.
ZIJN - WORDEN - BLIJVEN - BLIJKEN - LIJKEN - SCHIJNEN - HETEN - DUNKEN - VOORKOMEN
- alle andere werkwoorden zijn hulpwerkwoorden

Slide 8 - Slide

Hulpwerkwoord
Een hulpwerkwoord => werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde 

- Als er meer werkwoorden in een zin staan, dan heb je ook hulpwerkwoorden. 
-Er kunnen meerdere hulpwerkwoorden in een zin staan.


Slide 9 - Slide

Stappenplan
Stap 1: Doet iemand iets (A) of "is" iemand iets? (B)
A = zelfstandig werkwoord (ww gezegde)
B = koppelwerkwoord ( nmw gezegde)

VB: IVY heeft gisteren een nieuwe jas gekocht.

Doet IVY iets of is IVY iets?

Slide 10 - Slide

Stappenplan
Stap 2: Hoeveel werkwoorden staan er in een zin?
1 werkwoord = zelfstandig werkwoord OF koppelwerkwoord
2 werkwoorden = 1 hulp ww + zww/kww
3 werkwoorden = 2 hulpww + zww/kww

VB: IVY heeft gisteren een nieuwe jas gekocht.


Slide 11 - Slide

Stappenplan
Stap 3: Benoem de werkwoorden
- bij meerdere werkwoorden staat het belangrijkste werkwoord meestal achter in de zin ( hele werkwoord of voltooid deelwoord)
- Er kan geen koppelwerkwoord EN een zelfstandig werkwoord in de zin staan!

VB: IVY heeft gisteren een nieuwe jas gekocht.


Slide 12 - Slide

En nu even oefenen....
Geef van de werkwoorden in de zinnen aan of ze:
1. Koppelwerkwoord (kww)
2. Zelfstandig werkwoord (zww)
3. Hulpwerkwoord (hww)

Zijn.

Slide 13 - Slide

Onze dokter was toen weer drie kilo aangekomen.
A
was = hww aangekomen = zww
B
was = kww aangekomen = zww
C
was = hww aangekomen =kww
D
was = zww aangekomen = zww

Slide 14 - Quiz

Ik wil dansen!
A
dansen = kww
B
dansen = hww
C
dansen = zww

Slide 15 - Quiz

Mijn vader is een oude man.
A
is= kww
B
is= hww
C
is= zww

Slide 16 - Quiz

Ik heb mijn moeder een cadeau gegeven.
A
heb= zww gegeven = zww
B
heb= hww gegeven = kww
C
heb= kww gegeven = zww
D
heb= hww gegeven = zww

Slide 17 - Quiz

De meeste leraren zijn aardig.
A
zijn= kww
B
zijn= hww
C
zijn= zww

Slide 18 - Quiz

Zelfstandig aan de slag
Maak de volgende opdrachten:
Cursus 5 Grammatica - paragraaf 6 - opdracht 1 en 2 (blz. 216-217)
Je  mag overleggen met een klasgenoot, maar je moet wel zelfstandig nadenken.

De opdrachten zullen klassikaal worden besproken.

Slide 19 - Slide