Knipwerkwoorden - les 1

Zien is Snappen
Les 1
***
1 / 21
next
Slide 1: Slide
NT2BasisschoolGroep 4

This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes and text slides.

Report this lesson

Items in this lesson

Zien is Snappen
Les 1
***

Slide 1 - Slide

doel
ik kan zinnen maken met knipwerkwoorden
wie + doet + wie + doet

Slide 2 - Slide

Weet je nog?
wie
doet
wat
waar
wanneer

Slide 3 - Slide

DOET
een doe-woord (werkwoord)
een woord dat vertelt wat je doet
een woord dat je kan veranderen

ik  werk
hij werkt
wij werken

Slide 4 - Slide

Knipwerkwoorden


doen                                 aandoen
opendoen                      uitdoen
dichtdoen                      overdoen
meedoen
voordoen
nadoen

Slide 5 - Slide

knipwerkwoord
een doe-woord (werkwoord)
dat je in 2 stukken kan knippen

heet een knipwerkwoord (knipwoord)
uitknippen
uit                 knippen
ophalen
op                      halen
weggooien
weg                   gooien

Slide 6 - Slide

knipwerkwoord in een zin
de jongen
uitzwaaien
het meisje
de auto

Slide 7 - Slide

knipwerkwoord in een zin
de jongen
uitzwaaien
het meisje
uitzwaaien is het knipwoord
maar een knipwoord moet je knippen.
de auto

Slide 8 - Slide

knipwerkwoord in een zin
de jongen
uitzwaaien
zwaaien
uit
! let op !
uit
zwaaien
de auto

Slide 9 - Slide

knipwerkwoord in een zin
de jongen
zwaai
uit
de jongen
zwaait
uit
de auto
de auto

Slide 10 - Slide

oefenen
de volgende oefeningen
zijn voor de leerlingen op de chromebook

Slide 11 - Slide

welke DOE-woorden ken je?

Slide 12 - Slide

doe woorden

Slide 13 - Mind map

welke knipwerkwoorden ken je?

Slide 14 - Slide

knipwerkwoorden

Slide 15 - Mind map

maak de knipwerkwoorden weer goed.
sleep de stukjes naar elkaar

Slide 16 - Slide

ruimen
vouwen
hangen
ruimen
maken
wassen
op
op
af
schoon
af
op

Slide 17 - Drag question


de opa schoonmaken
de keuken
A
de opa schoonmaakt de keuken
B
de opa maakt schoon de keuken
C
de opa maakt de keuken schoon
D
de schoonmaakt opa de keuken

Slide 18 - Quiz


de moeder opruimen
de kamer
A
de moeder opruimt de kamer
B
de moeder ruimt op de kamer
C
de moeder opruimen de kamer
D
de moeder ruimt de kamer op

Slide 19 - Quiz


de kinderen opvouwen de was
A
de kinderen vouwt de was op
B
de kinderen vouwen de was op
C
de kinderen vouwen op de was
D
de was vouwt de kinderen op

Slide 20 - Quiz


de oma afruimen de tafel
A
de oma ruimt de tafel af
B
de oma afruimt de tafel
C
de oma ruimen de tafel af
D
de tafel afruimt oma

Slide 21 - Quiz