H10 (herhaling H5 quiz)

H10 Medische beeldvorming
Herhaling H5
Quiz
1 / 27
next
Slide 1: Slide
NatuurkundeMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 4

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

H10 Medische beeldvorming
Herhaling H5
Quiz

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Straling bevat energie!
Geabsorbeerde energie:
- totaal energie : totaal aantal deeltjes x energie deeltje
- massa van het bestraalde orgaan

Slide 4 - Slide

}
}

Slide 5 - Slide

Dosis
De mate waarin je bent blootgesteld aan de straling van een radioactieve bron, wordt weergegeven met de dosis -->
De eenheid van dosis is J/kg of Gray (Gy)

Wanneer rekening wordt gehouden met het type straling, spreek je van de equivalente dosis -->
De eenheid van equivalente dosis is ook J/kg of Sievert (Sv).


Ook kun je naar de effectieve totale lichaamsdosis kijken -->
In de BINAS kan je diverse stralingsdosislimieten vinden die zijn vastgesteld voor de veiligheid.

H=wRD
D=mEstr
L=wtH

Slide 6 - Slide

Besmetting en bestraling
  • Bij besmetting kom je in aanraking met de radioactieve bron
  • Bij bestraling alleen met de uitgezonden straling

Slide 7 - Slide

Besmetting
Als radioactieve stoffen terecht komen in de bodem, het grondwater of de lucht, is er radioactieve besmetting. Je kunt dan die radioactieve stoffen in je lichaam krijgen.

Slide 8 - Slide

Inwendige radioactieve besmetting

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Slide

Een CT-scan is beeldvorming met behulp van...
A
licht
B
UV
C
geluid
D
röntgen-straling

Slide 11 - Quiz

Echografie is beeldvorming met behulp van...
A
licht
B
UV
C
geluid
D
röntgen-straling

Slide 12 - Quiz

Welk straling zien we hier?
A
Alfa
B
Bèta
C
Gamma
D
Delta

Slide 13 - Quiz

Wat voor soort straling wordt er uitgezonden?
A
alpha straling
B
beta straling
C
gamma straling
D
geen straling

Slide 14 - Quiz

Om welke soort straling gaat het bij dit verval?
A
alfa straling
B
beta straling
C
gamma straling

Slide 15 - Quiz

Wat voor soort straling wordt er uitgezonden?
A
alpha straling
B
betastraling
C
gammastraling
D
Er wordt geen straling uitgezonden

Slide 16 - Quiz

Welk element blijft er over na het
α-verval van:

92231U
A
93231Np
B
91231Pa
C
90227Th

Slide 17 - Quiz

Welk element blijft er over na
β+ -verval van

1530P
A
1430Si
B
1630S
C
1326Al

Slide 18 - Quiz

Welk element blijft er over na β- -verval van

2659Fe
A
2559Mn
B
2759Co
C
2455Cr

Slide 19 - Quiz

Welke straling kan de meeste schade aanrichten?
A
alfa straling
B
beta- straling
C
beta+ straling
D
gamma straling

Slide 20 - Quiz

Niet ioniserende straling is
A
Ultra violette straling
B
Infra rode straling
C
Röntgenstraling
D
Radioactieve straling

Slide 21 - Quiz

Halveringsdikte geldt voor:
A
Alfa straling
B
Beta-straling
C
Gamma-straling
D
Alle straling

Slide 22 - Quiz

Van welke straling is het doordringend vermogen het kleinst?
A
Alfa straling
B
Beta straling
C
Gamma straling
D
Röntgenstraling

Slide 23 - Quiz

Bij welke vorm van radioactief verval stijgt het atoomnummer?
A
alfa-straling
B
bèta-straling
C
gamma-straling

Slide 24 - Quiz

Bij welke vorm van radioactief verval daalt het massagetal?
A
alfa-straling
B
bèta-straling
C
gamma-straling

Slide 25 - Quiz

Waarom is de halveringsdikte voor röntgenstraling van bot veel kleiner dan van spieren?
A
Het bot absorbeert meer straling waardoor de intensiteit van de straling toeneemt.
B
Het bot absorbeert meer straling waardoor de straling sneller zijn intensiteit kwijt is.
C
De spieren absorberen meer straling waardoor de intensiteit van de straling toeneemt.
D
De spieren absorberen meer straling waardoor de straling sneller zijn intensiteit kwijt is.

Slide 26 - Quiz

Straling die bestaat uit elektronen noemen we bèta-straling
A
juist
B
onjuist

Slide 27 - Quiz