Mavo 3 week 13

1 / 20
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 3

This lesson contains 20 slides, with interactive quiz and text slides.

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Planning for today
Discussing the lesson plan
5 min
Grammar recap
15 min
Working for yourself 
20 min

Slide 2 - Slide

Grammar test
Present simple / continuous            Some & Any
Gerund & to infinitive                           Future tense
Irregular verbs                                         Prepositions
Past simple                                               Modal verbs
Present perfect






Slide 3 - Slide

Present simple future
Something is scheduled
(iets is gepland, met een schema/tijd)
Use the present simple 

The party starts at ten o'clock
The plane leaves at 7 AM

Slide 4 - Slide

Will + infinitive 
Offers, promises and predictions
(Als je iets aanbied, een belofte doet of iets voorspelt, dit ga je echt wel doen) 

We will discuss the future tense. 
I will carry your bag for you. 

Slide 5 - Slide

am/are/is + going to + infinitive
To talk about intentions, including plans for which you have not made any arrangements yet.
(je spreekt over iets wat je zou willen doen of plannen die nog niet vast staan, het is nog niet zeker)

I am going to run a marathon! 
We are going to go by train or by bus.


Slide 6 - Slide

Present continuous future 
To talk about plans for which you have already made arrangements.
(Plannen waar je al iets voor hebt voorbereid)

I am making a test tomorrow. 
We are leaving for our holiday next week. 

Slide 7 - Slide

The future continuous
Something that will probably be going on at a specfic time in the future.
formed by will + be + verb + -ing.

I will be teaching at three o'clock
They will be having lunch at twelve o'clock


Slide 8 - Slide

Work for yourself 
1. Prepare for the test

2. Work on English skills

3. Do a practice test 

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

Planning for today
Discussing the lesson plan
5 min
Grammar recap
10 min
Working for yourself 
20 min

Slide 13 - Slide

Grammar test
Present simple / continuous            Some & Any
Gerund & to infinitive                           Future tense
Irregular verbs                                         Prepositions
Past simple                                               Modal verbs
Present perfect






Slide 14 - Slide

Modal verbs

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Slide

Can & Be able to
1. Als je wilt zeggen dat iemand iets kan kun je can of be able to gebruiken.
2. Als je praat over vaardigheden dan gebruik je can, cannot en can't
3. Als je wilt zeggen dat iemand in staat is om iets te doen bijvoorbeeld naar een feestje gaan.
Zinnen met be able to zijn formeler dan can
4. als je wilt zeggen dat iemand iets kon gebruik je was / were able to + hele werkwoord.

Slide 17 - Slide

Must, have to, should, ought to
1. Should (not) + hele werkwoord als jij vindt dat iets (niet) zou moeten. Je geeft advies of raadt iets af.
2. must (not) + hele werkwoord als jij vindt dat iets (niet) moet. Krachtiger dan should.
3. has to / have to + hele werkwoord om zekerheid, noodzaak of verplichting uit te drukken. Iets moet van iemand anders
4. ought to + hele werkwoord om advies te geven, als iets moet, als iets gedaan zou moeten. Deze is erg formeel.

Slide 18 - Slide

The test is next week
What do you need?

Slide 19 - Open question

Slide 20 - Slide