De leerling beheerst inmiddels het stoppen en wegrijden. Waar gaat u de volgende les voor het eerst met deze leerling de stuurtechniek oefenen?
A
Slingerende weg met aan weerszijden bomen.
B
30 km zone.
C
50 km weg.
D
grote lege parkeerplaats
1 / 58
next
Slide 1: Quiz
RijopleidingBeroepsopleiding
This lesson contains 58 slides, with interactive quizzes.
Lesson duration is: 60 min
Items in this lesson
De leerling beheerst inmiddels het stoppen en wegrijden. Waar gaat u de volgende les voor het eerst met deze leerling de stuurtechniek oefenen?
A
Slingerende weg met aan weerszijden bomen.
B
30 km zone.
C
50 km weg.
D
grote lege parkeerplaats
Slide 1 - Quiz
Je oefent met een beginnende leerling. Je wilt de leerling rechts achteruit in file parkeren aanleren. Welke van de onderstaande locaties is hier het meest geschikt voor?
A
Rechts op rijbaan in een woonwijk.
B
In een woonwijk:
Rechts op de rijbaan met een aantal achtereenvolgende mogelijkheden.
C
In een woonwijk:
Rechts op de rijbaan op een parkeerplek tussen twee auto's.
Slide 2 - Quiz
Je leerling had als huiswerkopdracht het bestuderen van spoorwegovergangen. Je rijdt met je leerling een gesloten spoorwegovergang tegemoet. Je moet dus stoppen. Wat doe je in deze situatie?
A
Je gaat iets vertellen over jezelf.
B
Je laat de leerling de spoorwegovergang berijden en ervaren hoe dit is.
C
Je gaat gerichte vragen stellen over spoorwegovergangen.
Slide 3 - Quiz
De leerling zit in de eindfase van zelfstandig rijden. U wilt met de leerling het onderwerp autosnelwegen uitdiepen. Welke situatie is hier geschikt voor?
A
Ritsen.
B
Invoegen.
C
Weven.
Slide 4 - Quiz
U geeft slechts enkele aanwijzingen aan de leerling en kijkt mee. In welke fase bevindt de leerling zich?
A
DMMM.
B
DZA.
C
DOMA.
Slide 5 - Quiz
Hoe kan je een negatief faalangstige leerling motiveren?
A
Veel positieve
feedback geven.
B
De leerstof in kleine
stappen aanbieden.
C
Een open doelstelling vaststellen.
Slide 6 - Quiz
Tijdens de intest kom je erachter dat de leerling traag van begrip is. Hoe ga je hier didactisch het beste mee om?
A
Veel feedback geven.
B
De leerstof in kleine stappen aanbieden...(elementinstructie, stap-voor-stap-instructie).
C
Integrale instructie toepassen.
Slide 7 - Quiz
U geeft de leerling de opdracht de HODM te gebruiken. In welke fase zit de leerling?
A
DZA.
B
DMMM.
C
DOMA.
Slide 8 - Quiz
In welke fase vindt transfer plaats?
A
DZA.
B
DMMM.
C
DOMA.
Slide 9 - Quiz
Wanneer is er sprake van transfer?
A
Wanneer de leerling het aangeleerde zelf in nieuwe situaties kan gebruiken om verkeerssituaties op te lossen.
B
Wanneer de leerling het aangeleerde nog niet zelf kan toepassen in een nieuwe verkeerssituatie.
C
Wanneer de rijinstructeur de leerling informatie geeft over lesonderdelen. ( transfer is overdracht van kennis en of vaardigheden in een nadere situatie).
Slide 10 - Quiz
Waaruit bestaat het instructieproces?
A
Planningsfase, Voorbereidingsfase, Evaluatiefase.
B
Voorbereidingsfase, Evaluatiefase, Motivatiefase.
C
Planningsfase, Realisatiefase, Evaluatiefase.
(Realisatiefase is hetzelfde als uitvoeringsfase en interactiefase).
Slide 11 - Quiz
Waar begin je het eerst mee als een leerling de opleiding komt volgen?
A
Zithouding.
B
Op- en terugschakelen.
C
Stuurtechniek.
Slide 12 - Quiz
Je leerling zit in de fase van EVS. Je nadert een aantal opeenvolgende minirotondes. Wat is hier geschikt om te oefenen?
A
Voorrang verlenen.
B
Op- en terugschakelen.
C
Naderen van kruispunt (rotonde). (Snelheid aanpassen, snelheid regulatie).
Slide 13 - Quiz
De leerling heeft het onderdeel stuurtechniek onder controle. U bent bezig met de lesvoorbereiding. Welk onderdeel gaat u de eerstvolgende les oefenen?
A
Bochtherkenning.
B
Kruispunten.
C
Op technische wijze afslaan.
Slide 14 - Quiz
De gevorderde leerling stopt te dicht achter een vrachtauto bij een verkeerslicht. Wat doet u?
A
Niets en u komt er aan het einde van de les op terug.
B
U vraagt de leerling wat hij zelf vindt van de situatie.
C
U reageert niet en
laat de fout zitten.
Slide 15 - Quiz
U vult aan het einde van de les de instructievorderingskaart in. Waarvoor gebruikt u de instructievorderingskaart?
A
De leerling kan zien wat hij de volgende les gaat leren.
B
U geeft daarmee aan hoeveel rijlessen de leerling nog nodig heeft.
C
U maakt een logische samenhang tussen de aangeleerde rijtaken en nog te leren rijtaken.
Slide 16 - Quiz
De leerstof is in een logische volgorde van begin tot de eindtaken uitgewerkt. En van eenvoudig tot complex. Hoe noem je dit?
A
Leerplan.
B
Leergang.
C
Lesplan.
Slide 17 - Quiz
Wat vindt u in een leerplan?
A
Een overzicht met een logische opbouw van de leerstof, van eenvoudig tot complex.
B
De leerstof voor de gehele opleiding.
C
De inleiding, kern en afsluiting van de les.
Slide 18 - Quiz
Wat is bij een gemiddelde leerling de meest logische volgorde?
A
Kruispunten, Afslaan, Rotondes.
B
Tegenkomen, Kruispunten, Positie.
C
Afslaan, Kruispunten, Rotondes.
Slide 19 - Quiz
Uit een intest kwam naar voren dat de leerling uw aanwijzingen vlot oppakt, maar dat hij weinig gevoel heeft voor de voertuigbeheersing. Wat voor gevolg moet dit hebben voor uw instructie?
A
U demonstreert de handelingen ten minste twee keer.
B
U laat de leerling zoveel mogelijk oefenen.
C
U legt de nadruk op uw uitleg.
Slide 20 - Quiz
Uw leerling rijdt te dicht achter een bestelauto voor u. Plotseling remt de bestuurder van de bestelauto. U moet direct op de rem trappen en de leerling schrik hier enorm van. Wat is volgens u didactisch gezien de beste oplossing?
A
U zegt: "Let op de volgafstand, zodat je tijdig tot stilstand kunt komen."
B
U zegt: "Geeft niets, rijdt maar rustig verder" en u bespreekt de situatie later.
C
U zegt: "Wat dacht je, ik lift even mee met mijn voorganger?"
Slide 21 - Quiz
U bereidt de les "fileparkeren" voor. Wat kunt u het beste aan de leerling vragen om te controleren of hij de leerstof heeft begrepen?
A
Wat is het juiste moment van insturen?
B
Wie moet je tijdens het fileparkeren voor laten gaan?'
C
Hoe zorg je ervoor dat je niet tegen de stoep komt als je achter een kleine auto wilt parkeren?
Slide 22 - Quiz
Voor welke leerling is een vrij flauwe helling een geschikte situatie om de helingproef te oefenen?
A
Voor de leerling die voor het eerst de hellingproef gaat oefenen.
B
Voor een gevorderde leerling.
C
Voor een leerling die al vaker de hellingproef heeft geoefend.
Slide 23 - Quiz
Een blauwe Caddy komt opeens uit een uitrit de rijbaan op voor uw lesauto. De leerling schrikt niet van deze situatie. Waarom schrikt hij niet?
A
De leerling rijdt op
geautomatiseerd niveau.
B
De leerling weet dat fouten
maken mag.
C
U heeft de leerling gerustgesteld.
Slide 24 - Quiz
U gaat een rijschool beginnen. Waar moet je organisatorisch mee beginnen?
A
Leerplan.
B
Leergang.
C
Lesplan.
Slide 25 - Quiz
In plaats van achteruit parkeren in een parkeervak, ga je de leerling eerst vooruit parkeren aanleren. Waar moet deze wijziging worden aangebracht?
A
Leergang.
B
Lesplan.
C
Leerplan.
Slide 26 - Quiz
In welke volgorde ga je lesgeven?
A
Aanvangsniveau, doelstelling
en motivatie.
B
Aanvangsniveau, motivatie
en demonstratie.
C
Aanvangsniveau, doelstelling en demonstratie.
Slide 27 - Quiz
Een persoon begint met een rijschool. Wat is dan belangrijk?
A
Administratie en organisatie.
B
Administratie en lesplan.
C
Leergang.
Slide 28 - Quiz
De lesauto hoort te staan in:
A
Leergang.
B
Leerplan.
C
Lesplan.
Slide 29 - Quiz
Wat is de juiste volgorde in het instructieproces?
A
Voorbereidingsfase, planningsfase en evaluatiefase.
B
Planningsfase, interactiefase en evaluatiefase.
C
Uitvoeringsfase, interactiefase en evaluatiefase.
Slide 30 - Quiz
In plaats van achteruit parkeren in een parkeervak ga je de leerling vooruit parkeren aanleren. waar moet deze wijziging worden aangebracht?
A
Organisatie en management.
B
Leergang.
C
Leerplan.
Slide 31 - Quiz
De rijinstructeur heeft een leerling die traag van begrip is. Hoe moet hij de lesstof aanbieden aan deze leerling?
A
Stap-voor-stap-instructie toepassen.
B
Veel feedback geven.
C
Integraal-instructie toepassen.
Slide 32 - Quiz
Wat hoort in een lesplan?
A
Doelstelling, variatie in didactische werkvormen en tijdsplanning.
B
Doelstelling, ordenen van lesstof en tijdsplanning.
C
Doelstelling, vereiste beginsituatie en tijdsplanning.
Slide 33 - Quiz
Wat zijn kritieke punten?
A
Het "wat" in de uitvoering.
B
Het uitvoeren van de deelhandeling.
C
Het "hoe" in de uitvoering.
Slide 34 - Quiz
Wat gebruikt u bij het vaststellen van de vereiste beginsituatie?
A
Referentiekader leerling
en karakter.
B
Referentiekader leerling
en leergang.
C
Referentiekader leerling
en lesplan.
Slide 35 - Quiz
Wat doet de rijinstructeur aan het begin van een les?
A
Verwelkomen, leerdoel bekend maken en vereiste beginsituatie vaststellen.
B
Je geeft samenvatting van de nieuwe les en vertelt wat je de volgende les gaat oefenen.
C
Je geeft een samenvatting van de vorige les en vertelt wat de leerling deze les gaat oefenen.
Slide 36 - Quiz
Je bent bezig met een 'proefexamen'. De leerling raakt in de stress. Wat doe je in deze situatie?
A
Je stelt de leerling gerust.
B
Je zegt niets en blijft de leerling goed observeren.
C
Je geeft de leerling hints, zodat hij minder stress heeft.
Slide 37 - Quiz
Je leerling komt van een andere rijschool bij jou lessen. Deze leerling is al 3x gezakt voor zijn examen. Wat ga je deze les doen met de leerling?
A
Een route rijden van EVS van CVS.
B
Je geeft de leerling een keuze van routes.
C
Je gaat beginnen met voertuigbeheersing en -bediening.
Slide 38 - Quiz
Je hebt een leerling die snel zaken oppikt. Het is een vlotte leerling. Hoe bied je de lesstof aan?
A
Integraal-instructie.
B
Element-instructie.
C
Cognitieve beheersingsinstructie.
Slide 39 - Quiz
U geeft les aan een groep leerling en zij zitten in U-vorm. Welke didactische werkvorm ga je toepassen?
A
Gespreksvorm.
B
Opdrachtvorm.
C
Aanbiedende vorm.
Slide 40 - Quiz
Uw leerling vraagt hoelang een CBR examen duurt. Wat vertelt u de leerling?
A
Ongeveer 30 min.
B
Ongeveer 55 min.
C
Ongeveer 15 min.
Slide 41 - Quiz
Aan het begin van de les geeft de rijinstructeur uitleg over een deelhandeling. De leerling gaat het onderdeel direct oefenen. Hoe is deze leerling ingesteld?
A
Visueel.
B
Auditief.
C
Motorisch.
Slide 42 - Quiz
Een leerling belt je op en zegt: "Kan je mij van school ophalen?" Je weet nu al dat de leerling minder effectieve leertijd zal hebben en daarom begin je gelijk met de nieuwe les als de leerling instapt, zonder uitleg te geven. Wat voor invloed heeft deze situatie op de leerling?
A
Leerling heeft een positieve beleving.
B
De leerling weet niet of hij met het nieuwe lesonderwerp begint.
C
De oude lesonderdelen worden zo behandeld.
Slide 43 - Quiz
Leerling zit in EVS. Wat zeg je tegen de leerling in deze situatie?
A
Rijinstructeur zegt: "Je kan er makkelijk langs. Kom op!" (aanmoediging).
U wilt met de leerling fileparkeren. Voor welke leerling is deze situatie geschikt?
A
Voor een leerling in de fase complexe verkeerssituaties.
B
Voor een leerling in de fase eenvoudige verkeerssituaties.
C
Voor een leerling in de fase voertuigbeheersing.
Slide 45 - Quiz
U geeft aan een agressieve leerling les, die in de eindfase van de opleiding zit. Er zijn 2 fietsers voor u. De leerling raakt geïrriteerd en scheldt ze uit. Hoe reageer jij?
A
Je zegt niets en gaat
door met de les.
B
Einde les kom je terug op de situatie en vertelt dat zijn gedrag niet netjes was.
C
Je pakt het gedrag meteen aan door gebruik te maken van zijn eigen gedrag (inlevingsvermogen).
Slide 46 - Quiz
Een leerling heeft moeite met voertuigbediening. Ondanks uw uitleg en aanwijzingen wil de bediening maar niet goed gaan. Wat voor soort leerling is dit?
A
Stuurloos.
B
Extern sturend.
C
Zelfsturend.
Slide 47 - Quiz
Een leerling is meerdere keren gezakt voor het CBR examen. Deze leerling komt bij jou lessen. Hoe ga je hiermee om?
A
Je laat de leerling volgens het CBR examen een route rijden.
B
Je begint met CVS.
C
Je leert de leerling alle basisvaardigheden van het rijden.
Slide 48 - Quiz
Wanneer is er verlies aan leertijd?
A
Tijdens de les in een wasstraat.
B
Bij tanken tijdens een les.
C
Invullen van de instructievorderingskaart.
Slide 49 - Quiz
Je gaat vooruit parkeren oefenen met je leerling. Voor welk type leerling is deze situatie geschikt?
A
Leerling in fase EVS.
B
Leerling in fase CVS.
C
Leerling in fase zelfstandig rijden.
Slide 50 - Quiz
Je hebt een vlotte leerling. De leerling zit nog in fase EVS. Je wilt de volgende de les met de leerling in-/ uitvoegen oefenen op de snelweg, alleen het heeft gesneeuwd. Wat voor invloed heeft dit op de leerling?
A
Leerling krijgt ervaring
met rijden in de sneeuw.
B
De leerling wordt gedemotiveerd.
C
De leerling raakt overbelast.
Slide 51 - Quiz
De rijinstructeur geeft aan het einde van de les een huiswerkopdracht mee aan de leerling. Aan welke voorwaarde moet deze opdracht voldoen?
A
De opdracht moet duidelijk
zijn voor beiden.
B
De opdracht moet duidelijk
zijn voor de leerling.
C
De rijinstructeur moet
een globale opdracht geven.
Slide 52 - Quiz
De leerling is bezig in de fase zelfstandig rijden. Welke taak heeft de rijinstructeur dan?
A
Aanwijzingen geven aan de leerling.
B
Begeleiden en coachen
van de leerling.
C
Observeren van de leerling.
Slide 53 - Quiz
Een rijtaak moet geautomatiseerd worden. Welk didactisch principe speelt hier een rol in?
A
Demonstreren van de rijtaak.
B
Aanschouwen van de rijtaak.
C
Herhalen van de rijtaak.
Slide 54 - Quiz
Hoe kunt u een ongemotiveerde leerling betrekken bij de les?
A
Door gerichte vragen te stellen.
B
Door veel feedback te geven.
C
Door de doelstelling te motiveren.
Slide 55 - Quiz
Waar let u op als u een leerling op cognitief gebied wilt toetsen?
A
Kennis en karakter.
B
Kennis en inzicht.
C
Vaardigheden en
leerling- kenmerken.
Slide 56 - Quiz
Uw leerling zit in fase van EVS. U bent een route aan het voorbereiden voor de leerling. Kunt u een turbo rotonde inplannen voor de leerling?
A
Ja, met begeleiding.
B
Nee, dit is te moeilijk.
C
Ja, de leerling moet dit beheersen.
Slide 57 - Quiz
Je bent aan het lessen met een leerling. De leerling kan een bepaalde verkeerssituatie niet goed oplossen. Hierdoor wordt zij emotioneel. Op welk moment gaat u deze situatie bespreken?