1TH Woordsoorten: vz

WELKOM!




De gele stift ligt op een houten tafel.
1 / 19
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo t, havoLeerjaar 2

This lesson contains 19 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

WELKOM!




De gele stift ligt op een houten tafel.

Slide 1 - Slide

Lesdoelen
- Ik kan een lidwoord (lw) in een zin benoemen.
- Ik kan een zelfstandig naamwoord (zn) in een zin benoemen.
- Ik kan een werkwoord (ww) in een zin benoemen.
- Ik kan een bijvoeglijk naamwoord (bn) in een zin benoemen.

- Ik kan een voorzetsel (vz) in een zin benoemen.

Slide 2 - Slide

Voor in de agenda
Woensdag 26 mei:
SO Grammatica woordsoorten
- lidwoord
- bijvoeglijk naamwoord
- zelfstandig naamwoord
- werkwoord
- voorzetsel

Slide 3 - Slide

Even kijken...
Wat heb je onthouden van de vorige lessen?

Slide 4 - Slide

Bij welke woordgroep horen
'de', 'het' en 'een'?
A
lidwoord (lw)
B
bijvoeglijk naamwoord (bn)
C
zelfstandig naamwoord (zn)
D
werkwoord (ww)

Slide 5 - Quiz

Hoe benoem je woorden als 'vallen', 'vliegen', 'verkennen' en 'voetballen'?
A
lidwoord (lw)
B
bijvoeglijk naamwoord (bn)
C
zelfstandig naamwoord (zn)
D
werkwoord (ww)

Slide 6 - Quiz

In welk rijtje staan alléén zelfstandig naamwoorden (zn)?
A
sleutel, grote, Amsterdam
B
Vincent, luchtbel, fiets
C
IJssel, blauwe, kindje
D
lijmpot, verliefd, Zwolle

Slide 7 - Quiz

In welk rijtje staan stoffelijk bijvoeglijk naamwoorden (bn)?
A
lieve, aardige, leuke
B
saaie, langdradige, vervelende
C
gouden, houten, ijzeren
D
roze, paarse, groene

Slide 8 - Quiz

Lidwoord (lw)

- Er zijn drie lidwoorden: de, het en een.
- De en het zijn bepaalde lidwoorden (blw).
- Een is een onbepaald lidwoord (olw).
- Een lidwoord staat altijd voor een zelfstandig naamwoord (zn).
   > Let op: soms staat er een bijvoeglijk naamwoord tussen het  
       lidwoord en het zelfstandig naamwoord.
   > Let op: een betekent soms niet een, maar één

Slide 9 - Slide

Zelfstandig naamwoord (zn)
- Het zn is op heel veel manieren te herkennen:
       > Er kan een lidwoord of bijvoeglijk naamwoord staan.
       > Het zijn vaak medipladi: mensen, dieren, planten, dingen.
       > Je kunt er vaak een verkleinwoord van maken.
       > Je kunt er vaak een meervoudsvorm van maken.
- Ook (aardrijkskundige) namen zijn zn!

Slide 10 - Slide

Werkwoord (ww)
- Een werkwoord geeft aan wat iets/iemand doet of overkomt.
- Een werkwoord kan voorkomen als
     > persoonsvorm (pv)
     > voltooid deelwoord (vd)
     > infinitief (inf) / hele werkwoordsvorm
- Iedere zin bevat ten minste één werkwoord (de pv)


Slide 11 - Slide

Bijvoeglijk naamwoord (bn)
- Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig   
   naamwoord (zn); het geeft een eigenschap aan.
- Meestal staat het bijvoeglijk naamwoord vóór het zelfstandig  
   naamwoord, maar het kan er ook achter staan.
- Een bijvoeglijk naamwoord dat aangeeft van welke stof of welk 
   materiaal iets gemaakt is, noem je stoffelijk bijvoeglijk 
   naamwoord.

Slide 12 - Slide

De gele stift ligt op een houten tafel.
De             = blw
gele          = bn
stift           = zn
ligt             = ww
op              = ???? >> vz!!
een            = olw
houten     = stoffelijk bn
tafel          = zn

Slide 13 - Slide

Voorzetsel (vz)
- Geeft een plaats, tijd, reden/oorzaak of richting aan
- Staat vaak vóór de combinatie lw + zn
- Ook wel 'kastwoorden' en 'feestjewoorden'
    (zie volgende pagina)
- Bij sommige werkwoorden hoort een vast voorzetsel
   geloven in, zoeken naar, bestaan uit
- Let op! Het splitsbare deel van een ww is géén voorzetsel!

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Slide

Nu maken, vrijdag af hebben

     >> Selecteer in Nieuw Nederlands de methode voor 1 t/havo
     >> Maak H6 > Taalverzorging > Voorzetsel

Blijf in de les, want straks blikken we gezamenlijk terug!

Slide 16 - Slide

Heb je alle opdrachten van H6 > Taalverzorging > Voorzetsel af?
A
Ja, zeker!
B
Nee, bijna
C
Nee, maar ik ben goed op weg
D
Nee, ik moet nog beginnen

Slide 17 - Quiz

Kun je lw, bn, zn, ww en vz
in een zin benoemen?
A
Ja, zeker
B
Ja, meestal wel
C
Nog niet, ik vind het best lastig
D
Nee, ik heb hulp nodig

Slide 18 - Quiz

Huiswerk voor de vrijdag 21 mei
     >> Selecteer in Nieuw Nederlands de methode voor 1 t/havo
     >> Maak H6 > Taalverzorging > Voorzetsel

Snap je iets niet? 
Stel je vragen via Teams, zodat ik je verder kan helpen!

Succes!

Slide 19 - Slide