Nederlands in gang Hoofdstuk 13

Nederlands in gang 
Hoofdstuk 13: Bij vrienden 
Hoofdstuk 13 Bij vrienden

Ik kan mijn mening vragen/geven.
Ik kan praten over koetjes en kalfjes.
Ik kan het werkwoord zullen (shall) gebruiken.
Ik ken de uitspraak van de vocalen.
1 / 20
next
Slide 1: Slide
NT2HBOStudiejaar 1

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Nederlands in gang 
Hoofdstuk 13: Bij vrienden 
Hoofdstuk 13 Bij vrienden

Ik kan mijn mening vragen/geven.
Ik kan praten over koetjes en kalfjes.
Ik kan het werkwoord zullen (shall) gebruiken.
Ik ken de uitspraak van de vocalen.

Slide 1 - Slide

Ik herinner me mijn kindertijd.  I remember my childhood.
Jij haast je naar je werk.   You hurry to your work. 
Hij vergist zich regelmatig.   He is mistaken regularly.
Wij vervelen ons als het regent.   We are bored when it rains.
Jullie melden je aan voor de cursus (separable & reflexive).  You sign up for the course.
Zij bemoeien zich met mijn problemen. They interfere with my problems.

As you can see, a reflexive verb is followed by a reflexive pronoun:
Ik vergis me
Jij vergist je
Hij/zij/het/u vergist zich
Wij vergissen ons
Jullie vergissen je
Zij vergissen zich 

Slide 2 - Slide

There are Dutch verbs that can be reflexive in certain situations. 
(when the action is done to the subject by the subject itself) and in other situations not.

Ik was me.
I wash myself.
Ik was mijn kleding.
I wash my clothes.

Slide 3 - Slide

           Neutrale vorm                  Zelf-vorm
ik          me / mij                       mezelf / mijzelf
je           je                                   jezelf
u            u / zich                        uzelf / zichzelf
hij / zij   zich                              zichzelf
wij         ons                               onszelf
jullie      je                                  jezelf
zij          zich                               zichzelf

Slide 4 - Slide

Hij heeft zich verheugd op het feestje.  
Zich verheugen op. Look forward to
Hij heeft zich verontschuldigd. Zich verontschuldigen
To apologize
Ik neem me voor meer te sporten. Zich voornemen
To intend to
Zij wil zich aanmelden bij de sportschool.
Zich aanmelden
To sign oneself up

Slide 5 - Slide

1: Ik  (zich schamen)
 
2: Jij  (zich schamen)

3: Hij  (zich schamen)

4: Wij  (zich schamen)

5: Jullie  (zich schamen)
 
6: De leerlingen  (zich schamen)
 
7: Ik  (zich herinneren)
 
8: Jij  (zich herinneren)
 
9: Hij  (zich herinneren)
 
10: Wij  (zich herinneren)
 
 










Slide 6 - Slide

1 Ik ben laat, ik moet      haasten!
2 Heb je     al voorbereid op het nieuwe project?
3 De kinderen concentreren        op de toets.
4 We hebben een groot probleem, realiseer je        dat wel?
5 U kunt        nu opgeven voor de cursus.
6 Hij moet          aanpassen aan zijn collega's.
7 Jullie moeten           daar niet mee bemoeien!
8 Zij interesseert           niet voor de wetenschap.
9 U moet        bij de receptie melden.
10 Als iemand             ziek voelt, moet hij naar de dokter gaan.

Slide 7 - Slide

Zullen

Slide 8 - Slide

Zullen (shall): 'belofte' (promise)
Het is hier warm.
Zal ik een raam open zetten?
Ik heb zin in eten.
Zal ik iets te eten voor je halen?
Is er nog koffie? 
Zal ik nieuwe koffie zetten?
Ik heb erge hoofdpijn.
Zal ik een paracetamol voor je pakken?
Hoe laat is het eigenlijk?
Zal ik even op de klok kijken?
Kun je hier ergens pinnen?
Zal ik dat even opzoeken?
Mijn tassen zijn erg zwaar.
Zal ik je helpen tillen?

Slide 9 - Slide

luister oefening
https://nt2taalmenu.nl/nt2-a2-luisteren-het-weerbericht/


Slide 10 - Slide

Koetjes en kalfjes (smalltalk)
                 Mooi weertje vandaag!
           Lekker geslapen?
                  Koud hier! Vind je niet?
                  Eindelijk schijnt de zon weer!
                 Na regen komt zonneschijn!
             Wat een drukte hier!
             Hoe was je weekend?
               Ga je nog op vakantie?

Slide 11 - Slide

Wil je thee?
A
Ja, goed. Heel mooi.
B
Zeg het wel.
C
Zeg dat wel.
D
Ja, graag.

Slide 12 - Quiz

Ik was erg ziek maar nu voel ik me weer beter.
A
Wat jammer!
B
Nee, klopt!
C
Gelukkig.
D
Ja, lekker he?

Slide 13 - Quiz

Wat een slecht weer, vind je niet?
A
Ik houd juist van dit onstuimige weer.
B
Zeg het wel!
C
Zeg dat wel!
D
Nee, klopt!

Slide 14 - Quiz

Doe haar de groeten terug. (say hello back)
A
Zal ik doen.
B
Ja, ik ook.
C
Dat zal ik doen.
D
Wat lekker.

Slide 15 - Quiz

Hoe gaat het met je?
A
Gaat wel. En met jou?
B
Prima, en met jou?
C
Uitstekend! Heerlijk weer ook!
D
Niet zo goed, ik heb veel problemen.

Slide 16 - Quiz

Het adres was makkelijk te vinden.
A
Ja, dat dacht ik wel. Zo dichtbij het station.
B
Dat is geen probleem.
C
Wat lekker!
D
Gelukkig!

Slide 17 - Quiz

Poeh, poeh! Ik ben toe aan koffie!
A
Zal ik een bakje koffie voor je halen?
B
Prima, en met jou?
C
Ja, ik ook na die lange wandeling.
D
Dat zal ik doen.

Slide 18 - Quiz

Vocalen

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide