Woensdag 21 januari

Woensdag 21  januari 2026
09.15 uur 10.00 uur INLOOP : boek lezen + woordzoeker 
12.35 - 13.05 uur  PAUZE
10.00- 10.45 uur  TAAL COMPLEET 1.5 Woordenschat deel 2
13.05 - 13.50 uur  Rekenen
10.45 - 11.05 uur  PAUZE 
13.50 - 14.35 uur  Luister opdracht: gaten tekst.
11.05 - 11.50  uur NT2 mevrouw Wafaa
11.50- 12.35  uur  NT2  TAAL COMPLEET1.5 woordenschat afmaken en dan de laptopopdrachten
1 / 29
next
Slide 1: Slide
NT2Middelbare schoolvmbo bLeerjaar 2

This lesson contains 29 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Woensdag 21  januari 2026
09.15 uur 10.00 uur INLOOP : boek lezen + woordzoeker 
12.35 - 13.05 uur  PAUZE
10.00- 10.45 uur  TAAL COMPLEET 1.5 Woordenschat deel 2
13.05 - 13.50 uur  Rekenen
10.45 - 11.05 uur  PAUZE 
13.50 - 14.35 uur  Luister opdracht: gaten tekst.
11.05 - 11.50  uur NT2 mevrouw Wafaa
11.50- 12.35  uur  NT2  TAAL COMPLEET1.5 woordenschat afmaken en dan de laptopopdrachten

Slide 1 - Slide

INLOOP
BOEK LEZEN 
WOORDZOEKER

Slide 2 - Slide

Woordenschat 1.5 DEEL 2

Slide 3 - Slide

DEEL 2

  • vierkant / vierkante
  • de meter (m)
  • ruim / ruimte
  • de huur
  • geluk hebben
  • verhuizen
  • blij 

Slide 4 - Slide

Woordenschat
Vandaag nieuwe woorden bij het thema Verhuizen 
Schrijf het woord op en ook de betekenis.

Slide 5 - Slide

vierkant
  • figuur met vier rechte hoeken en vier rechte, even lange zijden
  • een vierkante meter (een vlak dat 1 meter bij 1 meter groot is <als maat>)
  • Zin

Slide 6 - Slide

de meter
  • eenheid van lengte
  • 100 centimeter
  •  10 decimeter
  • 1 meter
  • hoort bij rekenen
  • Zin: Hij is 1 meter en 76 cm lang.

Slide 7 - Slide

ruim/ruimte
  • met voldoende inhoud of ruimte
  • een ruime auto
  • tamelijk( nogal) groot
  • het niet ruim hebben (weinig geld hebben)
  • Zin: De kantine van de school is een grote ruimte.

Slide 8 - Slide

de huur
  • bedrag dat je betaalt om iets te huren
  • huren = werkwoord : ik huur, jij huurt, hij/zij huurt, wij/jullie/zij huren
  •  te huur (als iets gehuurd kan worden) `Dit huis staat te huur`
  • Zin: De huren van huizen gaan dit jaar weer omhoog.

Slide 9 - Slide

geluk hebben
  • gevoel van grote blijheid
  •  als iets goed gegaan is
  • tegenstelling: ongeluk ( als iets niet goed gegaan is)
  • Zin: Je mag van geluk spreken dat je een helm op had toen je met je brommer viel.`

Slide 10 - Slide

verhuizen
  •  in een ander huis gaan wonen of in een andere stad of in een ander land
  • van adres veranderen
  • werkwoord : ik verhuis, hij verhuist, hij/zij verhuist, wij/jullie zij verhuizen
  • ik ben verhuisd, jij bent verhuisd,  hij is verhuisd, zij is verhuisd, wij/jullie/zij zijn verhuisd
  • Zin: Ons hele gezin is vorig jaar naar Amsterdam verhuisd.

Slide 11 - Slide

blij 
  • met een vrolijk gevoel
  •  gelukkig
  • vrolijk
  • tegenstelling: verdrietig
  • Zin: Hij is blij met het cadeautje

Slide 12 - Slide

In welke zin wordt het woord
verhuizen
goed gebruikt?
A
Jij verhuizt morgen naar een ander kamer.
B
Sommige mensen verhuizen naar een andere stad.
C
Zij volgende week verhuisd naar Rotterdam.
D
Verhuizen gister met fiets.

Slide 13 - Quiz

Op welke foto staat een ruimte
A
B
C
D

Slide 14 - Quiz

In welke zin wordt het woord
geluk hebben
goed gebruikt?
A
Geluk hij heb elke dag.
B
Wij zijn geluk omdat huis.
C
Ik geluk heb dat ik niet ben geval.
D
Zij heeft geluk, zij heeft een prijs gewonnen.

Slide 15 - Quiz

Maak een zin met het woord:
de meter

Slide 16 - Open question

Opdracht: welk woord hoort in de zin?
Welk woord hoort in de zin? Schrijf alleen het woord op, niet de hele zin!

Slide 17 - Slide

Elke maand moeten mijn ouders .............. betalen voor ons huis.

Slide 18 - Open question

Volgende week ................ ik naar een ander dorp.

Slide 19 - Open question

Het jongetje is heel erg .......... met zijn nieuwe fiets.

Slide 20 - Open question

Dit papiertje is ......................, niet rond.

Slide 21 - Open question

Ons huis is heel ..............., wij hebben wel 5 slaapkamers.

Slide 22 - Open question

Zinnen maken

Het rad draait een naam. Zie je jouw naam? Dan maak je een zin met 1 van de woorden.
De woorden: vierkant, de meter, ruimte/ruim, de huur, geluk hebben, verhuizen, blij

Slide 23 - Slide

Pauze
  • Waar is de pauze?
  • Wat mag wel en wat mag niet in de pauze?
  • Waar mag je buiten zijn in de pauze? 

Slide 24 - Slide

Taal Compleet
Mevrouw Wafaa

Slide 25 - Slide

TAAL COMPLEET
woordenschat afmaken
en 1.5 afmaken

Slide 26 - Slide

Pauze
  • Waar is de pauze?
  • Wat mag wel en wat mag niet in de pauze?
  • Waar mag je buiten zijn in de pauze? 

Slide 27 - Slide

REKENEN 
met meneer Antoon

Slide 28 - Slide

Gatentekst/ luister opdracht.
Jullie krijgen een tekst met gaten.
Ik ga jullie een verhaal voorlezen en jullie vullen de ontbrekende woorden in. 
Als we klaar zijn, kijken we samen na.

Slide 29 - Slide