Lesson eight



1 / 37
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolmavo, havoLeerjaar 1

This lesson contains 37 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 80 min

Items in this lesson



Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

  • Taking the register
  • Breaking news
  • Newsround
  • What do you need?
  • Learning goals
  • Vocab Check
  • Grammar recap
  • Let's get down to work (exercises)
  • Homework

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Proefwerk
Unit 2
23 november
(woensdag)





Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

iPad      workbook     notebook     pen          airpods
                       A                              and pencil

Slide 7 - Slide

  • Afronden unit 2
  • Herhalen unit 2

Slide 8 - Slide

page 142

Slide 9 - Slide

Phrases Speaking, page 142
 Je zegt wat je van iets vindt:
  1. That's alright. 
  2. Great idea! 
  3. That's a shame. 
  4. They're all awesome.
 Je zegt wat je van iets vindt:
  1. Dat is goed.
  2. Fantastisch idee.
  3. Dat is jammer.
  4. Ze zijn allemaal geweldig.
 Je vraagt of geeft informatie:
  1. Can you go to the festival in July?
  2. It starts at five o'clock.
  3. What time does it start?
  4. When is it?
  5. The tickets for the festival aren't cheap.
  6. They cost £50 each.
 Je vraagt of geeft informatie
  1. Kun je naar het festival in juli?
  2. Het begint om vijf uur.
  3. Hoe laat begint het?
  4. Wanneer is het?
  5. De kaartjes voor het festival zijn niet goedkoop.
  6. Ze zijn £50 per stuk.

Slide 10 - Slide

Phrases Speaking, page 142
 Je vraagt hoe het met iemand is:
  1. Hi Gaz, how are you? 
  2. I'm OK, thanks. 
  3. Great, thanks.
 Je vraagt hoe het met iemand is: 
  1. Hoi Gaz, hoe is het met je? 
  2. Het gaat goed, dank je. 
  3. Fantastisch, bedankt.
 Je voert een telefoongesprek:
  1. Hello? John Watson speaking. 
  2. Could I speak to Charlie, please?
  3. Thanks for calling.
  4. I'll talk to you soon!
 Je voert een telefoongesprek:
  1. Met John Watson. 
  2. Kan ik Charlie spreken, alstublieft? 
  3. Bedankt voor het bellen. 
  4. Ik spreek je snel weer.

Slide 11 - Slide

Lesson 4: Speaking

Study: Phrases speaking
Do: Exercise 49+50, page 80+81, Workbook A

In je schrift

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Slide

Exercise 49, page 80
It starts at half past eight.
I'm OK, thanks. 
Can you go to the Wasps concert with me?
When is it?
It's tonight.
That's alright. See you tonight.
Hi Brendan, how are you?
What time does it start?
  1. Hi Brendan, how are you?
  2. I'm OK, thanks. 
  3. Can you go to the Wasps concert with me?
  4. When is it?
  5. It's tonight.
  6. What time does it start?
  7. It starts at half past eight.
  8. That's alright. See you tonight.

Slide 14 - Slide

Exercise 50, page 81
   Hi Tess. How are you?
   I'm sorry. I'll talk to you soon.
   Hello? Tess Brown speaking.
   I think about six. And they're all awesome!
   That's a shame. I can't come then.
   How many bands are playing?
   Great. Can you go to the Easter festival?
   The tickets for the festival aren't cheap. 
   They cost £25 each.
   I'd love to come. How much are the tickets?
  1. Hello? Tess Brown speaking.
  2. Hi Tess. How are you?
  3. Great. Can you go to the Easter festival?
  4. How many bands are playing?
  5. I think about six. And they're all awesome!
  6. I'd love to come. How much are the tickets?
  7. The tickets for the festival aren't cheap. 
  8. They cost £25 each.
  9. That's a shame. I can't come then.

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Slide

ordinals

Slide 17 - Slide

ordinals
rangtelwoorden
Gebruik:
  • om volgorde aan te geven
  • om aan te geven op welke plaats iemand of iets staat
Vorm:
  • meestal getal+th
  • zevende = seventh (7th)
  • tiende = tenth (10th)
  • vierentwintigste = twenty-fourth (24th)
Mini uitzonderingen:
  • vijfde = fifth (5th)
  • achtste = eighth (8th)
  • negende = ninth (9th)
  • twaalfde = twelfth (12th)
Mega uitzonderingen:
  • eerste = first (1st)
  • tweede = second (2nd)
  • derde = third (3rd)
Let op:
  • bij tientallen vanaf 20 > -y = -ieth
  • twintigste = twentieth (20th)
  • zestigste = sixtieth (60th)
  • etc.

Slide 18 - Slide

Ordinals

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide

dates

Slide 21 - Slide

dates
data
                                           Gebruik:
  • om te weten wanneer iets is
  • om een datum aan te geven
                   Dagen:
  • Monday
  • Tuesday
  • Wednesday
  • Thursday

  • Friday
  • Saturday
  • Sunday
                            Maanden:
  • January
  • February
  • March
  • April
  • May
  • June
  • July
  • August
  • September
  • October
  • November
  • December



Let op:
  • Altijd hoofdletters
                              Vorm Engels:
  • dag + nummer (rangtelwoord) + maand
  • Monday the twenty-first of March
                         Vorm Amerikaans:
  • dag + maand + nummer (rangtelwoord) 
  • Monday March the twenty-first

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Slide

can / can't

Slide 24 - Slide

can / can't
kunnen / mogen
Gebruik:
  • om aan te geven dat je iets (niet) kan (vaardigheid)
  • om aan te geven dat iets (niet) mag (toestemming)
Can:
  • je/iemand kan iets wel
  • je/iemand kan iets wel
Can't (cannot):
  • je/iemand kan iets niet
  • je/iemand mag iets niet

Slide 25 - Slide

can / can't
kunnen / mogen
Gebruik:
  • om aan te geven dat je iets (niet) kan (vaardigheid)
  • om aan te geven dat iets (niet) mag (toestemming)
Can:
  • je/iemand kan iets wel
  • je/iemand kan iets wel
Can't (cannot):
  • je/iemand kan iets niet
  • je/iemand mag iets niet
Bevestigend (+)
Vragend (?)
Ontkennend (-)
I can ...
Can I ...?
I can't ...
You can ...
Can you ...?
You can't ...
He / She / It can ...
Can he / she / it ...? 
He / She / It can't ...
We can ...
Can we ...?
We can't ...
You can ...
Can you ...?
You can't ...
They can ...
Can they ...?
They can't ...

Slide 26 - Slide

Slide 27 - Slide

telling the time

Slide 28 - Slide

telling the time
klokkijken
Gebruik:
  • om aan te geven hoe laat het is
Vorm:
  • Het Engelse kloktijden hebben twee vormen:
  • past (over)
  • to (voor)
  •                        past:
  • van 1 minuut over het uur
  • tot 1 minuut voor het halfuur
  •                         to:
  • van 1 minuut over het halfuur
  • tot 1 minuut voor het uur
                                               Let op:

  • Hele uren  = ... o'clock
  • 3 uur (15:00) = Three o'clock
  • Halve uren = half past ...
  • Half 2 (01:30) = Half past one
  • kwart ... = quarter ...
  • kwart voor 3 (14:45) = quarter to three
  • om = at 
  • Om 5 over 8 (08:05) = At five past eight

Slide 29 - Slide

telling the time
klokkijken
  • Gebruik:
  • om aan te geven hoe laat het is
  • Vorm:
  • De Engelse kloktijden hebben twee vormen:
  • past (over)
  • to (voor)
  •                        past:
  • van 1 minuut over het uur
  • tot 1 minuut voor het halfuur
  •                         to:
  • van 1 minuut over het halfuur
  • tot 1 minuut voor het uur
  •                                         Let op:

  • Hele uren  = ... o'clock
  • 3 uur (15:00) = Three o'clock
  • Halve uren = half past ...
  • Half 2 (01:30) = Half past one
  • kwart ... = quarter ...
  • kwart voor 3 (14:45) = quarter to three
  • om = at 
  • Om 5 over 8 (08:05) = At five past eight

Slide 30 - Slide

Telling the time

- Go to: Zzish (zzi.sh)
- Log in met je voornaam
- Quiz: What time is it?



 


Slide 31 - Slide

much and many

Slide 32 - Slide

much and many
veel
much:
  • Als je veel van iets hebt, maar ...
  • ... je kunt het niet (precies) tellen
  • ... je kunt er geen getal voor zetten
  • ... je kunt er geen meervoud van maken

  • Denk hierbij aan:
  • - vloeistoffen
  • - gassen
  • - poedertjes
  • - begrippen
  • much money
  • much time
  • much homework
  • much milk
  • much sugar
  • much air
many:
  • Als je veel van iets hebt en ...
  • ... je kunt het wel (precies) tellen
  • ... je kunt er wel een getal voor zetten
  • ... je kunt er wel meervoud van maken
  • many students
  • many lessons
  • many people
  • many fish
  • many teachers
  • many iPads

Slide 33 - Slide

Blooket

Slide 34 - Slide

have got

Slide 35 - Slide

have got
hebben
Bevestigend (+)
Vragend (?)
Ontkennend (-)
I have got ...
Have I got ...?
I have not got ...
You have got ...
Have you got ...?
You have not got ...
He/She/It has got ...
Has he/she/it got ...?
He/She/It has not got ...
We have got ...
Have we got ...?
We have not got ...
You have got ...
Have you got ...?
You have not got ...
They have got ...
Have they got ...?
They have not got ...
                                                                  Afkortingen:
      have got > 've got                                         x                                 have not got > haven't got
      has got > 's got                                             x                                 has not got > hasn't got

Slide 36 - Slide

Unit 2: Self-test
Do:
- Vocab > 1-6
- ordinal numbers > 1+2
- days, months dates > 1+2
- the time > 1+2
- much / many > 1+2


Slide 37 - Slide