1. Rol met de dobbelsteen. Het aantal ogen geeft aan hoeveel stappen je mag nemen.
2. Ladder = je mag omhoog! Zet je pion neer waar de ladder eindigt. Voorbeeld: de ladder op vakje 2 gaat omhoog naar het vakje 19. Als je op vakje 2 staat, dan mag je direct naar vakje 19.
Slang = je móét omlaag! Zet je pion neer waar het puntje van de slang eindigt. Voorbeeld: het hoofdje van de slang op vakje 14 eindigt in vakje 3. Als je op vakje 14 staat, dan moet je direct terugzakken naar vakje 3.
3. Op elk vakje staat een vraag. Lees de vraag en geef antwoord. De
andere spelers controleren of het goed is. Vraag fout = terug naar
je vorige plek.
4. Kom je op een vakje met een slangenhoofd, dan moet
je terug én een werkwoord vervoegen. Denk eraan dat dit het hele
rijtje is vanaf ‘ich’ t/m ‘Sie’!