Taal Compleet 2.1
Feesten en Gewoontes
Taal Compleet 2.1
Feesten en Gewoontes
de koning
Betekenis: De man die de baas is van het land (koninkrijk). Hij is de baas omdat zijn vader de koning was en zijn opa ook.
Woordsoort: Zelfstandig naamwoord (wie)
Voorbeeldzin: De koning rijdt in zijn koets en zwaait naar de mensen.
meeste
Betekenis: Het grootste deel / het hoogste aantal.
Woordsoort: telwoord (hoeveel)
Voorbeeldzin: De meeste kinderen zijn op tijd op school.
hoeven niet
Betekenis: Wanneer iets niet moet.
Woordsoort: Werkwoord
Voorbeeldzin: Jullie hoeven niet opdracht 10 te maken.
Pasen
Betekenis: Christelijk feest over de dood van Jezus.
Woordsoort: Zelfstandig naamwoord (wat)
Voorbeeldzin: Met Pasen eet ik veel eieren en ga ik naar de kerk.
de chocola
Betekenis: Snoep gemaakt van cacao.
Woordsoort: zelfstandig naamwoord (wat)
Voorbeeldzin: Ik ben dol op chocola. Vooral puur vind ik lekker.
de kerk
Betekenis: Gebouw waar christenen komen om te bidden.
Woordsoort: zelfstandig naamwoord (wat)
Voorbeeldzin: In de kerk zingen wij vaak mooie liedjes.
Sinterklaas
Betekenis: Feest in Nederland waar op 5 december kinderen cadeaus krijgen
Woordsoort: zelfstandig naamwoord (wie)
Voorbeeldzin: Met Sinterklaas maken de kinderen surprises.
het cadeau
Betekenis: Iets dat je aan iemand geeft voor een feest of verjaardag
Woordsoort: zelfstandig naamwoord (wat)
Voorbeeldzin: De cadeaus zijn mooi ingepakt.
Kerst
Betekenis: Feest waarbij de geboorte van Jezus wordt gevierd.
Woordsoort: zelfstandig naamwoord (wat)
Voorbeeldzin: Met kerst versieren wij de kerstboom.
winter
Betekenis: Het koudste seizoen van het jaar. Na de herfst en vóór de lente
Woordsoort: Zelfstandig naamwoord (wat)
Voorbeeldzin: In de winter sneeuwt het soms.
de sneeuw
Betekenis: Witte koude regen die uit de lucht valt.
Woordsoort: zelfstandig naamwoord (wat)
Voorbeeldzin: Van de sneeuw maken wij sneeuwballen.
vroeg
Betekenis: een tijd op het begin van de dag of ver van te voren.
Tegenovergestelde: Laat
Woordsoort: bijvoeglijk naamwoord
Voorbeeldzin: Ik sta vroeg op, want ik moet al om 6 uur in de bus zitten.
de wereld
Betekenis: De hele aarde met alle landen en mensen.
Woordsoort: zelfstandig naamwoord
Voorbeeldzin: Ik wil later reizen over de hele wereld.
hetzelfde
Betekenis: niet anders. Precies gelijk.
Woordsoort: voornaamwoord
Voorbeeldzin: Jij hebt dezelfde schoenen als ik.
het verschil
Betekenis: dat wat niet hetzelfde is. Dat wat anders is.
Woordsoort: zelfstandig naamwoord (wat)
Voorbeeldzin: Het verschil tussen jou en mij is dat ik oud ben en jij jong.