Taal Compleet 2.1

Taal Compleet 2.1

Feesten en Gewoontes

1 / 16
next
Slide 1: Slide
New lesson editorTaalISK

This lesson contains 16 slides, with text slides.

Report this lesson

Items in this lesson

Taal Compleet 2.1

Feesten en Gewoontes

de koning

  • Betekenis: De man die de baas is van het land (koninkrijk). Hij is de baas omdat zijn vader de koning was en zijn opa ook.


  • Woordsoort: Zelfstandig naamwoord (wie)


  • Voorbeeldzin: De koning rijdt in zijn koets en zwaait naar de mensen.

meeste

  • Betekenis: Het grootste deel / het hoogste aantal.


  • Woordsoort: telwoord (hoeveel)


  • Voorbeeldzin: De meeste kinderen zijn op tijd op school.

hoeven niet

  • Betekenis: Wanneer iets niet moet.


  • Woordsoort: Werkwoord


  • Voorbeeldzin: Jullie hoeven niet opdracht 10 te maken.

Pasen

  • Betekenis: Christelijk feest over de dood van Jezus.


  • Woordsoort: Zelfstandig naamwoord (wat)


  • Voorbeeldzin: Met Pasen eet ik veel eieren en ga ik naar de kerk.

de chocola

  • Betekenis: Snoep gemaakt van cacao.


  • Woordsoort: zelfstandig naamwoord (wat)


  • Voorbeeldzin: Ik ben dol op chocola. Vooral puur vind ik lekker.

de kerk

  • Betekenis: Gebouw waar christenen komen om te bidden.

  • Woordsoort: zelfstandig naamwoord (wat)


  • Voorbeeldzin: In de kerk zingen wij vaak mooie liedjes.

Sinterklaas

  • Betekenis: Feest in Nederland waar op 5 december kinderen cadeaus krijgen

  • Woordsoort: zelfstandig naamwoord (wie)


  • Voorbeeldzin: Met Sinterklaas maken de kinderen surprises.

het cadeau

  • Betekenis: Iets dat je aan iemand geeft voor een feest of verjaardag


  • Woordsoort: zelfstandig naamwoord (wat)


  • Voorbeeldzin: De cadeaus zijn mooi ingepakt.

Kerst

  • Betekenis: Feest waarbij de geboorte van Jezus wordt gevierd.


  • Woordsoort: zelfstandig naamwoord (wat)


  • Voorbeeldzin: Met kerst versieren wij de kerstboom.

winter

  • Betekenis: Het koudste seizoen van het jaar. Na de herfst en vóór de lente


  • Woordsoort: Zelfstandig naamwoord (wat)


  • Voorbeeldzin: In de winter sneeuwt het soms.

de sneeuw

  • Betekenis: Witte koude regen die uit de lucht valt.


  • Woordsoort: zelfstandig naamwoord (wat)


  • Voorbeeldzin: Van de sneeuw maken wij sneeuwballen.

vroeg

  • Betekenis: een tijd op het begin van de dag of ver van te voren.

  • Tegenovergestelde: Laat


  • Woordsoort: bijvoeglijk naamwoord


  • Voorbeeldzin: Ik sta vroeg op, want ik moet al om 6 uur in de bus zitten.

de wereld

  • Betekenis: De hele aarde met alle landen en mensen.


  • Woordsoort: zelfstandig naamwoord


  • Voorbeeldzin: Ik wil later reizen over de hele wereld.

hetzelfde

  • Betekenis: niet anders. Precies gelijk.


  • Woordsoort: voornaamwoord


  • Voorbeeldzin: Jij hebt dezelfde schoenen als ik.

het verschil

  • Betekenis: dat wat niet hetzelfde is. Dat wat anders is.

  • Woordsoort: zelfstandig naamwoord (wat)


  • Voorbeeldzin: Het verschil tussen jou en mij is dat ik oud ben en jij jong.