Les van 11 februari

Les van 11 februari
Wat gaan we doen?
- woordenschat bijde tekst "Niet te geloven!";
- samengestelde zinnen;
- hoofdletters;
- dictee;
- spelling;
-Banksy.
1 / 32
next
Slide 1: Slide
Nederlands7th Grade

This lesson contains 32 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Les van 11 februari
Wat gaan we doen?
- woordenschat bijde tekst "Niet te geloven!";
- samengestelde zinnen;
- hoofdletters;
- dictee;
- spelling;
-Banksy.

Slide 1 - Slide

Woordenschat
We gaan beginnen met de woordenschat die hoort bij de tekst tekst “Niet te geloven!"

 


Ga naar blz. 34 van je Taalboekje (Thema 4) en maak oefening 1: 
wat hoort bij elkaar?

Slide 2 - Slide

Woordenschat
We gaan beginnen met de woordenschat die hoort bij de tekst tekst “Niet te geloven!"

 


Ga naar blz. 34 van je Taalboekje (Thema 4) en maak oefening 1: 
wat hoort bij elkaar?

Slide 3 - Slide

Woordenschat

Maak de volgende zin af met het goede woord.

Slide 4 - Slide

De kleur van mijn fiets vind ik niet zo belangrijk. Dat is ...........

Kies uit: op grond van/ van cruciaal belang/ van ondergeschikt belang

Slide 5 - Open question

Woordenschat

 


Ga naar blz. 34 van je Taalboekje (Thema 4) en maak oefening 2 verder af.

Slide 6 - Slide

Woordenschat
Zet het goede woord in de zin.

Kies uit: bekennen, gadeslaan, grootschalig, kampen met, kleinschalig, op grond van, toedienen

Slide 7 - Slide

Veel ouderen ................. eenzaamheid.

Kies uit: bekennen, gadeslaan, grootschalig, kampen met, kleinschalig, op grond van, toedienen

Slide 8 - Open question

Woordenschat

 


Ga naar blz. 34 van je Taalboekje (Thema 4) en maak oefening 3 verder af.

Slide 9 - Slide

Taal
We gaan het nog een keertje hebben over samengestelde zinnen en ontleden/ benoemen van zinsdelen. 

Slide 10 - Slide

Taal: ontleden
Ontleden:
Stap 1: Persoonsvorm (pv): Zet de zin in de vragende vorm, dan is het eerste woord de pv, of
              Zet de zin in een andere tijd: het woord dat verandert is de pv.
Stap 2: Gezegde (gez): ALLE werkwoorden in een zin
Stap 3: Onderwerp (ow): Wie + pv/gez
Stap 4: Lijdend voorwerp (lv): Wie of wat + gez + ow
Stap 5: Meewerkend voorwerp (mv): Aan wie + gez +ow + lv
Stap 6: Bepaling (bep): Alles wat overblijft (waar, wanneer etc)

Slide 11 - Slide

Taal: uitleg bepaling


Wat is ook alweer een bepaling?

Slide 12 - Slide

Taal: uitleg bepaling
Een bepaling is een woord of zinsdeel dat:

- extra informatie of een 
- nadere omschrijving 

geeft binnen een zin. 

Slide 13 - Slide

Taal: uitleg bepaling
Er zijn verschillende soorten bepalingen:
- wanneer (tijd)
- waar (plaats)
- waarom/waardoor (reden)
- hoe (wijze)
- voorwaarde (als het mooi weer is/ mits je op tijd bent)
- waarmee (met een hamer/ per e-mail)

-  is een woord of zinsdeel dat:


Slide 14 - Slide

Taal: ontleden samengestelde zinnen

Tijdens de vakantie heb ik mijn vriend Jan mijn extra zwembroek geleend, aangezien hij zijn eigen zwembroek was vergeten.

 


Slide 15 - Slide

Taal: ontleden samengestelde zinnen

1) Tijdens de vakantie heb ik mijn vriend Jan mijn extra zwembroek geleend, 

2) aangezien hij zijn eigen zwembroek was vergeten.

 


Slide 16 - Slide

Taal: ontleden samengestelde zinnen

Tijdens de vakantie heb ik mijn vriend Jan mijn extra zwembroek geleend, aangezien hij zijn eigen zwembroek was vergeten.


Stap 1: Persoonsvorm (pv): “heb”
Stap 2: Gezegde (gez): “heb geleend” (ALLE ww in een zin)
Stap 3: Onderwerp (ow): Wie heeft geleend? (ow + gez) : “Ik”
Stap 4: Lijdend voorwerp (lv): Wie of wat heb ik geleend? (Wie of wat + gez + ow): “mijn extra zwembroek”
Stap 5: Meewerkend voorwerp (mv): Aan wie heb ik mijn extra zwembroek geleend ? (Aan wie + gez +ow + lv): “Jan"
Stap 6: Bepaling (bep): tijdens de vakantie

Stap 1: Persoonsvorm (pv): “was”
Stap 2: Gezegde (gez): “was vergeten” (ALLE ww in een zin)
Stap 3: Onderwerp (ow): Wie heeft geleend? (ow + gez) : “hij”
Stap 4: Lijdend voorwerp (lv): Wie of wat heb ik geleend? (Wie of wat + gez + ow): “zijn  eigen zwembroek”

Slide 17 - Slide

Taal: ontleden samengestelde zinnen

Terwijl de baby nog sliep, ging de moeder in de keuken alvast het ontbij klaarmaken.
 


Slide 18 - Slide

Taal: ontleden samengestelde zinnen
1) Terwijl de baby nog sliep, 
2) ging de moeder in de keuken alvast het ontbij klaarmaken.
 


Slide 19 - Slide

Taal: ontleden samengestelde zinnen
Terwijl de baby nog sliep, ging de moeder in de keuken alvast het ontbij klaarmaken.


Stap 1: Persoonsvorm (pv): “ging”
Stap 2: Gezegde (gez): “ging klaarmaken” (ALLE ww in een zin)
Stap 3: Onderwerp (ow): Wie heeft geleend? (ow + gez) : “de moeder”
Stap 4: Lijdend voorwerp (lv): Wie of wat heb ik geleend? (Wie of wat + gez + ow): “het ontbijt”
Stap 5: Meewerkend voorwerp (mv): Aan wie heb ik mijn extra zwembroek geleend ? (Aan wie + gez +ow + lv): “Jan"
Stap 6: Bepaling (bep):  alvast

Stap 1: Persoonsvorm (pv): “sliep”
Stap 2: Gezegde (gez): “sliep” (ALLE ww in een zin)
Stap 3: Onderwerp (ow): Wie heeft geleend? (ow + gez) : “de baby”

Slide 20 - Slide

Ga aan de slag met de volgende zin:

Hoewel ik alle woorden kende, vond ik de tekst best moeilijk.

Slide 21 - Slide

Haal de zinnen uit elkaar

Hoewel ik alle woorden kende--> bijzin

vond ik de tekst best moeilijk--> hoofdzin

Slide 22 - Slide

Hoewel ik alle woorden kende, vond ik de tekst best moeilijk

Slide 23 - Open question

Ga aan de slag met de volgende zin:

De politie had moeten ingrijpen, toen de demonstranten begonnen te gooien met flessen.

Slide 24 - Slide

Haal de zinnen uit elkaar

De politie had moeten ingrijpen, --> hoofdzin

toen de demonstranten begonnen te gooien met flessen--> bijzin

Slide 25 - Slide

De politie had moeten ingrijpen, toen de demonstranten begonnen te gooien met flessen.

Slide 26 - Open question

Hoofdletters


Wanneer gebruik je ook alweer een hoofdletter?

Slide 27 - Slide

Hoofdletters
- Begin van een zin
- Eigen namen
- Aardrijkskundige namen
- Namen van feestdagen (maar uitzondering als er wat voor of achter staat)  dus Kerst (maar kerstvakantie), Pasen (maar paasontbijt), Sinterklaas (maar sinterklaasfeest) etc
- Talen (Nederlands, Belgisch)
- Volken (Eskimo, Venozolaan)

Slide 28 - Slide

Hoofdletters

Ga naar blz. 19 van je Taalboekje (Thema 4) en maak daar de oefeningen.

Slide 29 - Slide

Hoofdletters

Ga daarna naar blz. 28 van je Taalboekje (Thema 4) en maak daar de oefeningen.

Slide 30 - Slide

Dictee

We gaan nu een oefen dictee doen.
We doen dat zoals we dat altijd doen: ik lees alles eerst voor en jij typt alles en daarna druk je op 'send'

Slide 31 - Slide


Slide 32 - Open question