5/9 sept

cours de français / semaine 3
weektaak vorige week : résvision en ligne/ Quizvragen en ligne
Exercice 1 en 2, en ligne
-Leren Apprendre 1

weektaak komende week ;   Exercice 3 tm 7, livre
-Leren Apprendre 1, 3 & notes
-Exercice 8a tm 8e, livre

1 / 14
next
Slide 1: Slide

This lesson contains 14 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

cours de français / semaine 3
weektaak vorige week : résvision en ligne/ Quizvragen en ligne
Exercice 1 en 2, en ligne
-Leren Apprendre 1

weektaak komende week ;   Exercice 3 tm 7, livre
-Leren Apprendre 1, 3 & notes
-Exercice 8a tm 8e, livre

Slide 1 - Slide

weektaak vorige week : révision en ligne/ Quizvragen en ligne
Exercice 1 en 2, en ligne (3 en 4 in werkboek)
-Leren Apprendre 1

ex 1
1 Hij laat zijn leven en avonturen aan zijn kijkers zien.
2 Lopend en met de tram.
Exercice 2 
1 a vrai
 b faux
 c vrai
2 Haar melkopschuimer is kapot.
3 C
4 Julien vindt zijn moeder een beetje vreemd.
5 A
6 a Een meneer met een telefoon die haast heeft en doorloopt.
 b Een paar meisjes die hem de weg wijzen.
7 Galerie Lafayette







Slide 2 - Slide

ex 3/4
Exercice 3 

a Il fait froid.          e. il fait chaud
b Il fait beau.         f. il fait du soleil
c Il pleut.                 g. il fait du vent
d Il neige.

Exercice 4 
1 een reis  - un voyage
2 rijden   - rouler
3 de grens - la frontière
4 tol  - le péage
5 de aankomst - l'arrivée
6 doorgaan - continuer 
7 ben misselijk - j'ai mal au coeur
8 parkeren - garer



Slide 3 - Slide

apprendre 1

aankomen
A
revenir
B
arriver
C
à venir
D
partir

Slide 4 - Quiz

apprendre 1 : zonder punt

Spanje

Slide 5 - Open question

apprendre 1 : kleine letters zonder punt

reizen

Slide 6 - Open question

apprendre 1 : kleine letters zonder punt

de boot

Slide 7 - Open question

apprendre 1 : kleine letters zonder punt

het weerbericht

Slide 8 - Open question

apprendre 1 : zonder punt
Zwitserland

Slide 9 - Open question

apprendre 1 : kleine letters zonder punt

het vliegtuig

Slide 10 - Open question

La météo: Quel temps fait-il?
Il neige
Il y a du soleil
Il pleut
Il fait -5 degrés

Il y a du vent


Slide 11 - Drag question

GRAMMAIRE I : partir -vertrekken
sortir
uitgaan

Slide 12 - Slide

in je aantekeningenschrift!
partir  - présent

ik vertrek - je pars
jij vertrekt - tu pars
hij vertrekt - il part
zij vertrekt - elle part
men vertrekt - on part
wij vertrekken - nous partons
jullie vertrekken - vous partez
u vertrekt - vous partez
zij vertrekken - ils partent (mmv)
zij vertrekken - elles partent (vmv)
in je aantekeningenschrift!
sortir - présent

ik ga uit - je sors
jij gaat uit - tu sors
hij gaat uit - il sort
zij gaat uit - elle sort
men gaat uit - on sort
wij gaan uit - nous sortons
jullie gaan uit - vous sortez
u gaat uit - vous sortez
zij gaan uit- ils sortent
zij gaan uit - elles sortent (vmv)

Slide 13 - Slide

zelfstandig werken 
- 10 minuten trainen partir en sortir VERBUGA.EU
- oefening 8a en 8b maken in je werkboek
- werken aan 5 tm 7 in je werkboek
-

Slide 14 - Slide