3.1 Distributiestrategie

3.1 Distributiestrategie
1 / 25
next
Slide 1: Slide
Marketing & CommunicatieMBOStudiejaar 2

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

3.1 Distributiestrategie

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Wat betekent distributie-intensiteit?
A
De mate van verkrijgbaarheid van een product
B
De keuze tussen directe en indirecte distributie
C
De prijsstrategie van een producent
D
De manier waarop producten worden gepromoot

Slide 7 - Quiz

This item has no instructions

Bij welke distributiestrategie worden zoveel mogelijk verkooppunten ingeschakeld?
A
Intensieve distributie
B
Selectieve distributie
C
Exclusieve distributie
D
Directe distributie

Slide 8 - Quiz

This item has no instructions

Waarom wordt intensieve distributie toegepast bij convenience goods?
A
Convenience goods zijn moeilijk te vinden
B
De consument wil graag veel winkels bezoeken
C
Convenience goods zijn exclusieve producten
D
De consument wil weinig koopinspanning leveren

Slide 9 - Quiz

This item has no instructions

Wat is een kenmerk van selectieve distributie?
A
Elk verkooppunt mag het merk van de producent verkopen
B
De producent selecteert verkooppunten op basis van bepaalde criteria
C
De distributiekosten worden zo laag mogelijk gehouden
D
Selectieve distributie wordt alleen toegepast bij fast moving consumer goods

Slide 10 - Quiz

This item has no instructions

Welke factor speelt geen rol bij de keuze voor een selectief distributiepunt?
A
De weersomstandigheden in de regio
B
De kredietwaardigheid van de winkel
C
De aanwezigheid van concurrerende merken
D
De grootte van het verkooppunt

Slide 11 - Quiz

This item has no instructions

Bij welke distributiestrategie krijgt één verkooppunt per regio het alleenverkooprecht?
A
Intensieve distributie
B
Selectieve distributie
C
Directe distributie
D
Exclusieve distributie

Slide 12 - Quiz

This item has no instructions

Wat is een belangrijk verschil tussen prijsdistributie en servicedistributie?
A
Prijsdistributie heeft een luxueuze uitstraling, servicedistributie niet
B
Prijsdistributie richt zich op service, servicedistributie op prijs
C
Prijsdistributie richt zich op lage prijzen, servicedistributie op klantgerichtheid
D
Er is geen verschil, beide termen betekenen hetzelfde

Slide 13 - Quiz

This item has no instructions

Wat is een belangrijk kenmerk van de pushstrategie?
A
De producent stimuleert de handel om zijn producten op te nemen
B
De producent richt zich rechtstreeks op de consument
C
De consument vraagt actief naar het product in de winkel
D
De producent gebruikt alleen online marketing

Slide 14 - Quiz

This item has no instructions

Bij welke strategie probeert de producent merkvoorkeur te creëren bij de consument, zodat deze er specifiek naar vraagt?
A
Pushstrategie
B
Pullstrategie
C
Intensieve distributie
D
Exclusieve distributie

Slide 15 - Quiz

This item has no instructions

Welke situatie past het beste bij de pullstrategie?
A
Een producent biedt groothandels grote kortingen om zijn producten in te kopen
B
Een fabrikant van frisdrank investeert in een grote reclamecampagne op tv en social media
C
Een fabrikant geeft winkeliers gratis displaymateriaal voor in de winkel
D
Een supermarktketen onderhandelt met leveranciers over gunstige inkoopprijzen

Slide 16 - Quiz

This item has no instructions

Slide 17 - Slide

This item has no instructions

Wat is een kenmerk van een direct distributiekanaal?
A
Producten gaan via een groothandel naar de consument
B
De producent verkoopt rechtstreeks aan de consument zonder tussenpersonen
C
De detailhandel speelt een belangrijke rol in de verkoop
D
Producten worden uitsluitend in fysieke winkels verkocht

Slide 18 - Quiz

This item has no instructions

Wat is een mogelijk nadeel van een direct distributiekanaal voor de producent?
A
Kanaalconflicten met bestaande detailhandelaren
B
Hogere kosten voor de consument
C
Minder controle over de verkoopprijs
D
Minder winst voor de producent

Slide 19 - Quiz

This item has no instructions

Wat is het verschil tussen een indirect kort en een indirect lang distributiekanaal?
A
Een indirect kort kanaal heeft geen tussenpersonen, een indirect lang kanaal wel
B
Een indirect kort kanaal is duurder dan een indirect lang kanaal
C
Bij een indirect kort kanaal worden producten altijd online verkocht
D
Een indirect kort kanaal heeft één tussenpersoon, een indirect lang kanaal meerdere

Slide 20 - Quiz

This item has no instructions

Slide 21 - Slide

This item has no instructions

Wat is het belangrijkste kenmerk van multichannel retailing?
A
Alle verkoopkanalen zijn volledig geïntegreerd
B
De retailer heeft alleen een fysieke winkel
C
De consument kan probleemloos schakelen tussen verschillende kanalen
D
De verkoopkanalen werken los van elkaar zonder onderlinge afstemming

Slide 22 - Quiz

This item has no instructions

Wat is het verschil tussen crosschannel en omnichannel retailing?
A
Bij crosschannel zijn verkoopkanalen op elkaar afgestemd, maar bij omnichannel zijn ze volledig geïntegreerd
B
Crosschannel biedt meer verkoopkanalen dan omnichannel
C
Omnichannel werkt alleen online, terwijl crosschannel ook fysieke winkels omvat
D
Crosschannel heeft alleen betrekking op webshops

Slide 23 - Quiz

This item has no instructions

Welke vorm van retailing biedt de consument de meeste flexibiliteit bij het combineren van verkoopkanalen?
A
Monochannel
B
Multichannel
C
Omnichannel
D
Crosschannel

Slide 24 - Quiz

This item has no instructions

Slide 25 - Slide

Richten ze zich op de prijs of service?
Op hoeveel plekken wordt verkocht?
Verkoopt de producent rechtstreeks aan de consument? (kanaalconflict)
Reclame via retailer of direct aan consument?
Op welke manier kun je kopen bij de HEMA?