Je rijdt met een leerling een woonerf in, je vraagt de leerling om de verkeersregels foutloos toe te passen. Wat ben je aan het toetsen?
A
Cognitieve vaardigheden.
B
Psychomotorische vaardigheden.
C
Attitude van de leerling.
1 / 60
next
Slide 1: Quiz
RijopleidingBeroepsopleiding
This lesson contains 60 slides, with interactive quizzes.
Lesson duration is: 60 min
Items in this lesson
Je rijdt met een leerling een woonerf in, je vraagt de leerling om de verkeersregels foutloos toe te passen. Wat ben je aan het toetsen?
A
Cognitieve vaardigheden.
B
Psychomotorische vaardigheden.
C
Attitude van de leerling.
Slide 1 - Quiz
Hoe kan de rijinstructeur een negatief faalangstige leerling motiveren?
A
Complimenten geven.
B
Doelstelling duidelijk aangeven
en een goede motivatie bij de doelstelling.
C
Uitdagende opdrachten geven.
Slide 2 - Quiz
Hoe geef je bij voorkeur les aan een auditief ingestelde leerling?
A
Door een duidelijke uitleg te geven.
B
Door een duidelijke
demonstratie te geven.
C
Door veel te laten oefenen.
Slide 3 - Quiz
Een beginnende leerling maakt tijdens de les een fout, ondanks de fout blijft hij rustig. Waarom raakt de leerling niet uit zijn doen?
A
U heeft aangegeven dat fouten maken hoort bij het leerproces.
B
Leerling is introvert.
C
Leerling heeft veel zelfvertrouwen.
Slide 4 - Quiz
Je hebt een gevorderde leerling, die bijna moet afrijden. Alleen vandaag zit hij met witte knokkels achter het stuur. Wat doe je in deze situatie?
A
Je maakt een grapje om de spanning te breken.
B
Je probeert leerling af te leiden.
C
Je stelt leerling op zijn gemak.
Slide 5 - Quiz
Je hebt een leerling die snel zijn rijbewijs wil halen en hij wil alles snel leren. Hoe ga je om met zo'n leerling?
A
Je gaat snel door alle onderdelen heen.
B
Je biedt overzichtelijk alles aan.
C
Je komt deze leerling tegemoet en leidt deze persoon met spoed op.
Slide 6 - Quiz
Wat zou de leerling het meest motiveren?
A
Als de rijinstructeur demonstreert.
B
Als de rijinstructeur aan de leerling vraagt: "wat beheers je inmiddels?"
C
Als de rijinstructeur aan de leerling vraagt: "hoe zou je het doen?"
Slide 7 - Quiz
Wat is een variabel leerling kenmerk?
A
Leerstijl.
B
Leeftijd.
C
Instelling.
Slide 8 - Quiz
Hoe kan je als rijinstructeur de leerstijl van een leerling vaststellen?
A
Door een opdracht te laten uitvoeren.
B
Door de leerling te observeren.
C
Door een intest af te nemen en daarbij de leerling te observeren.
Slide 9 - Quiz
Hoe kun je toetsen of de leerling de leerstof heeft begrepen?
A
Door verwerkingsvragen te stellen.
B
Door open vragen te stellen.
C
Door gesloten vragen te stellen.
Slide 10 - Quiz
Waarom moet de rijinstructeur het aanvangsniveau van de leerling eerst vaststellen en daarna eventueel een nieuw onderdeel oefenen?
A
Om de doelstelling vast te stellen.
B
Om beter te kunnen evalueren.
C
Voor de motivatie.
Slide 11 - Quiz
Na 2 lessen heeft de leerling het voertuig compleet onder controle. Wat zal het gevolg hiervan zijn?
A
De leerling heeft meer lessen nodig.
B
De leerling heeft minder
lessen nodig.
C
De rijinstructeur kan eerder examen aanvragen voor de leerling.
Slide 12 - Quiz
Je gaat naar een tankstation met de leerling. Daar ga je de bandenspanning met de leerling controleren en uitleggen. De leerling zegt: "mag ik dat zelf doen, ik wil het ook leren." Wat is het kenmerk van deze leerling?
A
Een leerling met veel doorzettingsvermogen.
B
Een leerling die extrinsiek gemotiveerd is.
C
Een leerling die intrinsiek gemotiveerd is.
Slide 13 - Quiz
Je merkt dat je leerling niet snel alles oppakt. Je wilt hem een "bocht achteruit rijden" leren. Hoe moet je dit didactisch gezien aanpakken?
A
Je geeft hem dit als huiswerk.
B
Je begeleidt hem stap voor stap tijdens de oefening.
C
Je gaat dit onderdeel een aantal keren demonstreren.
Slide 14 - Quiz
Je gaat naar een tankstation met de leerling. Daar ga je de bandenspanning met de leerling controleren en uitleggen. De leerling zegt: "waarom moet ik dat leren? Dat krijg ik toch niet op mijn examen" Wat is het kenmerk van deze leerling?
A
Een leerling met veel doorzettingsvermogen.
B
Een leerling die extrinsiek gemotiveerd is.
C
Een leerling die intrinsiek gemotiveerd.
Slide 15 - Quiz
In welke stap van de mentorfase is de leerling extern sturend?
A
D.O.A.
B
D.O.M.A.
C
D.Z.A.
Slide 16 - Quiz
In welke fase bevindt de leerling zich als hij extern sturend is?
A
Beginnende leerling.
B
Gevorderde leerling.
C
In de fase van zelfstandig rijden.
Slide 17 - Quiz
De leerling heeft weer zijn huiswerkopdrachten niet gemaakt. Waaruit laat je blijken dat het wel moet?
A
Door hem gerichte vragen over de leerstof te stellen.
B
Door niet verder te gaan met het volgende instructie onderdeel.
C
Je zegt niets en begint aan de les.
Slide 18 - Quiz
Waar houd je het meest rekening mee als je een didactische werkvorm gaat kiezen?
A
Met de tijdsplanning.
B
De les die je gaat plannen.
C
Kenmerken van de leerling.
Slide 19 - Quiz
Hoe kan je de vorderingen van de leerling het best vaststellen?
A
Door te meten.
B
Door vragen te stellen.
C
Door te observeren.
Slide 20 - Quiz
De volgende rijtaak is de doorgeefmethode toepassen. De rijinstructeur gaat deze les plannen. Welk woord past niet in de planningsfase?
A
Rijtaak.
B
Beoordeling en eindtoetsing.
C
Introductie.
Slide 21 - Quiz
Wat doet de rijinstructeur als de leerling in de eindfase van een complexe verkeerssituatie zit?
A
Coachen.
B
Begeleiden.
C
Instructie geven.
Slide 22 - Quiz
Waarom maakt de rijinstructeur aan het einde van de les een foutenanalyse?
A
Zodat de leerling de fout niet meer in de toekomst maakt.
B
Zodat de rijinstructeur weet hoe de leerling ervoor staat in de volgende lessen.
C
Om de oorzaak van de fout te ontdekken.
Slide 23 - Quiz
Tijdens het lessen wil je de bordenkennis van je leerling toetsen. Hoe pak je dit aan?
A
Je stelt open vragen.
B
Je stelt gesloten vragen.
C
Je vraagt naar de betekenis van de borden.
Slide 24 - Quiz
Een gevorderde leerling heeft moeite met de verkeersborden, voor de rest rijdt hij goed. Wat voor vragen stelt u aan de leerling om zijn bordenkennis te toetsen?
A
Gesloten vragen.
B
Open vragen.
C
Denk vragen.
Slide 25 - Quiz
Een nieuwe leerling ziet op het dashboard lampjes branden. De instructeur vraagt om de betekenis. De leerling weet het niet. De instructeur legt het uit en aan het einde van de les weet de leerling alle lampjes te benoemen. Waarvan heeft de leerling geen last?
A
Cognitieve vaardigheden.
B
Affectieve vaardigheden.
C
Objectieve vaardigheden.
Slide 26 - Quiz
Je gaat de leerling leren keren op een niet te brede rijbaan. Daarbij pas je de stap voor stap Instructie toe. Waarom hanteer je in deze situatie de bovengenoemde instructiestijl?
A
Omdat deze in de Rijprocedure staat.
B
Omdat de taak zo sneller geautomatiseerd wordt.
C
Omdat je op verschillende plekken laat uitvoeren.
Slide 27 - Quiz
Hoe kan je toetsen of je leerling de basisvaardigheden goed beheerst?
A
Je laat hem fileparkeren in een drukke winkelstraat.
B
Je laat hem bocht achteruitrijden in een verkeersluw gebied.
C
Je laat hem met de lesauto steken op een parkeerterrein.
Slide 28 - Quiz
Je hebt de leerling voertuigbediening en -beheersing geleerd. Je wil toetsen of de leerling al dan niet op automatisch niveau de bediening kan uitvoeren. Waar ga je dit toetsen?
A
Industrieterrein met veel vrachtverkeer.
B
In een 30 km zone.
C
In een winkelstraat.
Slide 29 - Quiz
Je hebt een leerling die snel wordt afgeleid. Hoe kan je ervoor zorgen dat de aandacht van de leerling bij de les blijft?
A
Hardop denkmethode
toepassen bij de uitvoering.
B
Door tijdig instructie te geven.
C
Structuur van de les bekend maken.
Slide 30 - Quiz
U geeft les aan een vrouwelijke leerling die angstig is en keer op keer fouten maakt. Hoe ga je reageren op die fouten?
A
Je stelt haar gerust en je zegt dat fouten maken hoort bij het leerproces.
B
Je stelt haar gerust en je zegt dat je haar in het vervolg gaat begeleiden.
C
Je zegt niets.
Slide 31 - Quiz
Je gaat fileparkeren met je leerling. Wanneer maak je de doelstelling bekend?
A
Voor de motivatie.
B
Na de motivatie.
C
Na doceren.
Slide 32 - Quiz
Noem de belangrijkste stap in de mentorfase.
A
Doe met mij mee.
B
Doe op aanwijzingen.
C
Doe op minder aanwijzingen.
Slide 33 - Quiz
Wat ga je als laatste oefenen bij het aanleren van kruispunten?
A
Voor laten gaan.
B
Snelheid aanpassen.
C
Signaleren.
Slide 34 - Quiz
Welke verkeerstaak oefen je met een leerling in de laatste fase van de opleiding?
A
Keren/ halve draai.
B
Invoegen op de snelweg.
C
Berijden van rotondes.
Slide 35 - Quiz
Wat gaat u met uw leerling als laatste oefenen?
A
Rijstrook wisselen.
B
Kruispunten.
C
Bocht achteruit.
Slide 36 - Quiz
Wat gaat u als laatste oefenen bij afslaan op een kruispunt?
A
Richting aangeven.
B
Voor laten gaan.
C
Snelheid verminderen.
Slide 37 - Quiz
Je gaat met je leerling het onderdeel "afslaan op kruispunten" oefenen. Wat moet je als eerste uitleggen?
A
Sturen.
B
Snelheid aanpassen.
C
Richting aangeven.
Slide 38 - Quiz
Wat ga je als laatste onderdeel oefenen volgens de Rijprocedure?
A
Fileparkeren.
B
Invoegen.
C
Kruispunten.
Slide 39 - Quiz
Welke techniek kun je het best oefenen bij het afslaan van kruispunten?
Kennismaken met het voertuig is reeds behandeld. Wat ga je met je leerling hierna doen?
A
Wegrijden en stoppen oefenen.
B
Kruispunten oefenen.
C
Invoegen oefenen.
Slide 42 - Quiz
Wat is de eerste les die je met je leerling hebt behandeld?
A
Kennismaken met voertuig.
B
Wegrijden en stoppen.
C
Stuurtechniek.
Slide 43 - Quiz
Het betreft een beginnende leerling. Welk kruispunt ga je behandelen?
A
Voorrangskruispunt.
B
Kruispunt van gelijke orde.
C
Kruispunt met een opstelruimte.
Slide 44 - Quiz
Je hebt een gemiddelde leerling. In welke logische volgorde ga je oefenen?
A
Kruispunt, afslaan, rotonde.
B
Hellingproef, achteruit fileparkeren, parkeren op een inrit.
C
Bocht achteruit, fileparkeren, achteruit in vak parkeren.
Slide 45 - Quiz
Je hebt een gemiddelde leerling. In welke logische volgorde ga je oefenen?
A
Afslaan, kruispunt, rotondes.
B
Kruispunt, afslaan, rotondes.
C
Rotondes, kruispunt, afslaan.
Slide 46 - Quiz
Wat hoort er in de eindfase van de rijopleiding?
A
Zelfstandig rijden.
B
Kruispunt berijden.
C
Afslaan naar rechts oefenen.
Slide 47 - Quiz
Je wilt met je leerling voor de eerste keer kruispunten gaan oefenen. Welke soort kruispunt is het meest geschikt?
A
Voorrangskruispunten.
B
Kruispunten waarbij je bestuurders van rechts voorrang moet verlenen.
C
Kruispunten met verkeerslichten met verschillende sorteerstroken.
Slide 48 - Quiz
De rijinstructeur doet de dagelijkse voertuigcontrole. Wat moet hij voor elke les doen?
A
Spiegel afstellen.
B
Bandenspanning controleren.
C
Verlichting controleren.
Slide 49 - Quiz
Wat doet een rijinstructeur aan het begin van elke les?
A
Zithouding regelen.
B
Stuurhouding regelen.
C
Spiegels afstellen.
Slide 50 - Quiz
Je leerling zit in de eindfase van EVS. Vervolgens laat je de leerling een complex kruispunt berijden. Hoe zou een gemiddelde leerling hier op reageren?
A
De leerling raakt overladen.
B
De leerling raakt gemotiveerd.
C
De leerling raakt geirriteerd.
Slide 51 - Quiz
Je wilt met een gevorderde leerling het autorijden uitdagender maken in een drukke winkelstraat. Wat ga je in deze straat met de leerling oefenen?
A
Fileparkeren.
B
Positie.
C
Scannen.
Slide 52 - Quiz
Een gevorderde leerling zit in zijn examenweek. Wat doe je met deze leerling?
A
Nieuw onderdeel oefenen
voor afleiding.
B
Oude vaardigheden, die hij reeds beheerst, oefenen.
C
Je houdt geen rekening met je leerling.
Slide 53 - Quiz
Je bespreekt met de leerling de gemaakte fouten. Vervolgens zie je dat de leerling het stuur krampachtig vasthoudt en zijn hoofd naar beneden laat zakken. Hoe zou je deze gedraging kunnen omschrijven?
A
Het betreft een nerveuze leerling.
B
Het betreft een faalangstige leerling.
C
Het betreft een leerling die teleurgesteld is.
Slide 54 - Quiz
De leerling schakelt steeds heel ruw met de pook. Je zet je hand op haar hand en schakelt zo met haar mee. Is dat verstandig?
A
Hangt van de leerling af.
B
Nee, dat mag niet.
C
Nee, om misverstanden
te voorkomen.
Slide 55 - Quiz
U geeft les aan een angstige leerling. Wat zou de beste methode kunnen zijn om dit positief te beïnvloeden?
A
Stap voor stap methode.
B
Integraal instructie.
C
Totaal instructie.
Slide 56 - Quiz
U zegt iets tegen uw leerling tijdens het rijden en de leerling begint tegen het stuur te tikken. Met wat voor soort leerling heeft u nu mee te maken?
A
Nerveuze leerling.
B
Onverschillige leerling.
C
Overmoedige leerling.
Slide 57 - Quiz
Je gaat met een beginnende leerling het onderdeel kruispunten oversteken oefenen. Hoe leg je dit uit?
A
Je stopt en legt het onderwerp globaal uit.
B
Je stopt en legt het onderwerp gedetailleerd uit voordat je gaat oefenen.
C
Je legt het onderwerp tijdens het rijden uit.
Slide 58 - Quiz
Hoe kan je de leerling in aanraking brengen met een complex kruispunt?
A
Vragen stellen aan de hand
van het huiswerk.
B
Na het kruispunt vragen: "Wat heb je waargenomen en voorspeld?"
C
Voor het kruispunt vragen:
"Hoe is de voorrang geregeld?"
Slide 59 - Quiz
Een leerling leert veel door het demonsteren. Je geeft hem een huiswerkopdracht mee. Wat geef je hem mee?
A
Je geeft een schema mee naar huis.
B
Je geeft een samenvatting aan de hand van tekening.