Woordsoorten en telwoorden

Woordsoorten herkennen

1 / 27
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNederlandsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 6

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 1 min
Report this lesson

Items in this lesson

Woordsoorten herkennen

null

Lesdoel

Ik kan hoofdtelwoorden, rangtelwoorden, zelfstandig werkwoorden, koppelwerkwoorden, hulpwerkwoorden en wederkerende voornaamwoorden herkennen en van elkaar onderscheiden.

This item has no instructions

Welke van deze woordsoorten vind jij nu al het makkelijkst?

Gebruik de reacties als korte voorkennischeck. Vraag een paar leerlingen waarom zij juist die woordsoort kozen.

Telwoorden

Telwoorden geven een aantal of een plaats in een rij aan.


Ze horen bij woorden die iets tellen of ordenen.


Voorbeelden: drie, twaalf, eerste, vijfde.

Benadruk dat deze les alleen twee soorten telwoorden behandelt: hoofdtelwoorden en rangtelwoorden.

Hoofdtelwoord

Een hoofdtelwoord noemt een precies aantal.


  • één, zes, twintig

  • Het antwoordt vaak op de vraag: hoeveel?

  • Voorbeeld: Ik heb vier boeken.

This item has no instructions

Hoofdtelwoord in een zin

Een hoofdtelwoord zegt hoeveel het er zijn.


  • Er staan acht fietsen buiten.

  • Wij kochten twee appels.

  • In de klas zitten dertig leerlingen.

Laat leerlingen zien dat het hoofdtelwoord bij verschillende zelfstandige naamwoorden kan horen, maar steeds een aantal noemt.

Rangtelwoord

Een rangtelwoord geeft de plaats of volgorde aan.


  • eerste, tweede, negende

  • Het antwoordt vaak op de vraag: de hoeveelste?

  • Voorbeeld: Zij werd derde in de wedstrijd.

This item has no instructions

Rangtelwoord in een zin

Een rangtelwoord zet iets in een volgorde.


  • Hij zit op de eerste rij.

  • Vandaag is de tiende les.

  • Mila werd tweede.

Wijs op het verschil tussen hoeveelheid en volgorde: twee = aantal, tweede = plaats.

Welk woord is een rangtelwoord?

A

twaalf

B

derde

C

acht

D

twintig

Controleert het verschil tussen hoeveelheid en volgorde.

Hoofdtelwoord of rangtelwoord

Een telwoord kan een aantal of een plaats in een rij aangeven. In 'Wij kochten twee appels' is het telwoord een hoofdtelwoord. In 'Mila werd tweede' is het telwoord een rangtelwoord.

aantal
twee
tweede
volgorde
drie
eerste
negen

De leerlingen vullen de kernbegrippen uit de slides over telwoorden in.

Werkwoorden

Werkwoorden zeggen iets over doen, zijn of gebeuren.


In deze les bekijken we drie soorten:

  • zelfstandig werkwoord

  • koppelwerkwoord

  • hulpwerkwoord

Maak duidelijk dat alle drie werkwoorden zijn, maar dat hun functie in de zin verschilt.

Zelfstandig werkwoord

Het zelfstandig werkwoord geeft de belangrijkste handeling of toestand van de zin.


  • Het kan vaak alleen de betekenis dragen.

  • Voorbeelden: lopen, eten, slapen

  • Voorbeeldzin: Sara leest een boek.

Noem dat er in een zin ook een hulpwerkwoord kan staan, maar dat het zelfstandig werkwoord dan nog steeds de hoofdhandeling noemt.

De hoofdhandeling in de zin

Het zelfstandig werkwoord vertelt wat echt gebeurt.


  • Omar tekent een huis.

  • De baby slaapt.

  • Wij zwemmen in het meer.

This item has no instructions

Koppelwerkwoord

Een koppelwerkwoord koppelt het onderwerp aan een eigenschap of toestand.


Vaak zijn dat vormen van:

  • zijn

  • worden

  • blijven


Voorbeeld: De lucht is blauw.

Leg uit dat het koppelwerkwoord zelf meestal geen handeling uitdrukt, maar een verbinding maakt tussen onderwerp en aanvulling.

Koppelen in plaats van doen

Bij een koppelwerkwoord gaat het niet om een handeling, maar om een toestand of kenmerk.


  • Sem is moe.

  • De soep wordt koud.

  • Het weer blijft zacht.

Vergelijk kort met een zelfstandig werkwoord: in 'Sem rent' gebeurt een handeling, in 'Sem is moe' wordt een toestand genoemd.

Hulpwerkwoord

Een hulpwerkwoord helpt een ander werkwoord in de zin.


Het staat samen met het zelfstandig werkwoord.


Voorbeelden van hulpwerkwoorden zijn:

  • hebben

  • zijn

  • zullen

Je kunt benoemen dat hulpwerkwoorden vaak gebruikt worden voor tijd of vorm, zonder daar nu diep op in te gaan.

Hulpwerkwoord met ander werkwoord

Het hulpwerkwoord ondersteunt het zelfstandig werkwoord.


  • Ik heb gewerkt.

  • Zij is gevallen.

  • Wij zullen winnen.

Laat in elke zin aanwijzen welk woord helpt en welk woord de hoofdhandeling uitdrukt.

Werkwoorden vergelijken

  • zelfstandig werkwoord: noemt de handeling of toestand

  • koppelwerkwoord: verbindt onderwerp met een kenmerk

  • hulpwerkwoord: helpt een ander werkwoord


Voorbeeld:

  • Lina loopt. → zelfstandig werkwoord

  • Lina is blij. → koppelwerkwoord

  • Lina heeft gelopen. → hulpwerkwoord + zelfstandig werkwoord

Deze vergelijkingsslide helpt om verwarring tussen 'is' als koppelwerkwoord en 'is' als hulpwerkwoord te voorkomen.

In welke zin is 'is' een koppelwerkwoord?

A

Zij is gevallen.

B

Hij is moe.

C

Wij is winnen.

D

Ik is gelopen.

De juiste zin koppelt onderwerp en toestand. De andere opties lijken op hulpwerkwoordconstructies of zijn fout gevormd.

Soorten werkwoorden

Een zelfstandig werkwoord noemt de hoofdhandeling in de zin. Een koppelwerkwoord verbindt het onderwerp met een kenmerk. Een hulpwerkwoord helpt een ander werkwoord, zoals in 'Lina heeft gelopen'.

zelfstandig werkwoord
koppelwerkwoord
hulpwerkwoord
rangtelwoord
hoofdtelwoord
wederkerend voornaamwoord
onderwerp

Laat leerlingen de drie functies van werkwoorden onderscheiden.

Wederkerend voornaamwoord

Een wederkerend voornaamwoord verwijst terug naar het onderwerp.


Voorbeelden zijn:

  • me

  • je

  • zich


Voorbeeld: Ik vergis me.

Gebruik eenvoudige voorbeelden; de kern is dat het voornaamwoord terugwijst naar degene die de handeling uitvoert.

Terugwijzen naar het onderwerp

Bij een wederkerend voornaamwoord horen onderwerp en voornaamwoord bij elkaar.


  • Jij wast je.

  • Hij schaamt zich.

  • Wij vergissen ons.

Benadruk dat het voornaamwoord niet naar iemand anders verwijst, maar naar het onderwerp zelf.

Wederkerend in de zin

Je herkent het aan het terugverwijzen.


  • Ik herinner me de afspraak.

  • Zij verheugt zich op de vakantie.

  • Jullie gedragen je rustig.

Noem eventueel dat sommige werkwoorden vaak met een wederkerend voornaamwoord voorkomen, zoals zich vergissen en zich schamen.

Welk woord is een wederkerend voornaamwoord?

A

afspraak

B

zich

C

vakantie

D

rustig

Controleert herkenning van het wederkerend voornaamwoord zelf.

Terugwijzen naar het onderwerp

Een wederkerend voornaamwoord verwijst terug naar het onderwerp. In 'Hij schaamt zich' horen onderwerp en voornaamwoord bij elkaar. In 'Wij vergissen ons' wijst het voornaamwoord dus terug naar 'wij'.

verwijst
zich
ons
koppelt
je
me
helpt

Beklemtoont het terugverwijzen naar het onderwerp.

Begrippenlijst

telwoord - woord dat een aantal of plaats in een volgorde aangeeft

hoofdtelwoord - telwoord dat zegt hoeveel iets er zijn

rangtelwoord - telwoord dat zegt op welke plaats iets staat

werkwoord - woord dat een handeling, toestand of gebeurtenis uitdrukt

zelfstandig werkwoord - werkwoord dat de hoofdhandeling of hoofdtoestand noemt

koppelwerkwoord - werkwoord dat het onderwerp verbindt met een kenmerk of toestand

hulpwerkwoord - werkwoord dat een ander werkwoord helpt

This item has no instructions

Begrippenlijst

wederkerend voornaamwoord - voornaamwoord dat terugverwijst naar het onderwerp

onderwerp - deel van de zin waarover iets wordt gezegd

handeling - wat iemand of iets doet

toestand - hoe iemand of iets is

volgorde - de plaats van iets in een rij of reeks

This item has no instructions