Dorpskrant les 11: inhoud verzamelen


Nederlands - Periode 3 - 2019-2020

De Dorpskrant - Les 11
Creatief schrijven & Spelling
VG2
1 / 22
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson


Nederlands - Periode 3 - 2019-2020

De Dorpskrant - Les 11
Creatief schrijven & Spelling
VG2

Slide 1 - Slide

Terugblik vorige lessen
Je weet nu waar je op moet letten bij het schrijven.

Je kunt nu de regels toepassen voor:
  • bezitsvormen
  • meervoudsvormen
  • samenstellingen
  • verwijzingen
 
Je kunt nu: 
  • beeldspraak herkennen en benoemen
  • stijlfiguren herkennen en benoemen


Slide 2 - Slide

Conclusie???
Je kent alle theorie en hebt daarmee geoefend.

Bijna tijd om te gaan schrijven!

Slide 3 - Slide

Aan het einde van deze les ...

... heb je nagedacht over de inhoud van de Dorpskrant.
... weet je welke bewoners er in het dorp wonen.
... welke beroepen de bewoners uitoefenen.
... wat de bewoners meemaken.
... en in welke tekstvormen (met bijbehorende tekstdoelen) je hiervan verslag doet.

Ook hebben jullie de teksten aan het einde van deze les verdeeld, zodat iedere leerling weet welke tekst hij gaat uitschijven.

Slide 4 - Slide

Hoe ga je te werk?
In deze les beantwoord je 6 keer onderstaande vragen. 
(Waarom 6 keer? Je krant moet 6 teksten bevatten.)

  • Wie is de dorpsbewoner
  • Welke beroep heeft hij/zij?
  • Wat maakt hij/zij mee? / Wat wordt er over hem/haar geschreven?
  • In welke tekstvorm schrijf je hierover? (Tip: Kies een tekstvorm uit het   overzicht op slide 7.)
  • Wat is het bijbehorende tekstdoel? (Tip: Kijk weer in het overzicht.)

Slide 5 - Slide

Hoe ga je te werk?
Voorbeeldantwoord:

  • Wie is de dorpsbewoner? Priscilla Nageltjes
  • Welke beroep heeft hij/zij? Eigenaresse van een nagelstudio 
  • Wat maakt hij/zij mee? / Wat wordt er over hem/haar geschreven?  Er is   ingebroken in haar nagelstudio 'Diamond Nails' en nu ....  
  • In welke tekstvorm schrijf je hierover? Nieuwsbericht
  • Wat is het bijbehorende tekstdoel? Informeren

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Aan de slag!

Op de volgende slides volgen de vragen. 

De antwoorden op de vragen helpen je om je teksten uit te schrijven.



Slide 8 - Slide

Wie is de dorpsbewoner?
Welk beroep heeft hij/zij?
Wat maakt hij/zij mee? / Wat wordt er over hem/haar geschreven?
In welke tekstvorm schrijf je hierover?

Slide 9 - Open question

Wie is de dorpsbewoner?
Welk beroep heeft hij/zij?
Wat maakt hij/zij mee? / Wat wordt er over hem/haar geschreven?
In welke tekstvorm schrijf je hierover?

Slide 10 - Open question

Wie is de dorpsbewoner?
Welk beroep heeft hij/zij?
Wat maakt hij/zij mee? / Wat wordt er over hem/haar geschreven?
In welke tekstvorm schrijf je hierover?

Slide 11 - Open question

Wie is de dorpsbewoner?
Welk beroep heeft hij/zij?
Wat maakt hij/zij mee? / Wat wordt er over hem/haar geschreven?
In welke tekstvorm schrijf je hierover?

Slide 12 - Open question

Wie is de dorpsbewoner?
Welk beroep heeft hij/zij?
Wat maakt hij/zij mee? / Wat wordt er over hem/haar geschreven?
In welke tekstvorm schrijf je hierover?

Slide 13 - Open question

Wie is de dorpsbewoner?
Welk beroep heeft hij/zij?
Wat maakt hij/zij mee? / Wat wordt er over hem/haar geschreven?
In welke tekstvorm schrijf je hierover?

Slide 14 - Open question

Teksten verdelen

Bepaal nu samen met degene met wie je samenwerkt wie welke teksten uitwerkt. 
(Let op: 2 teksten per leerling)

Slide 15 - Slide

Check, check, dubbelcheck...

Heb je 6 dorpsbewoners bedacht?
A
Ja
B
Nee --> doet dit alsnog
C
Een beetje --> vul je antwoorden aan.

Slide 16 - Quiz

Check, check, dubbelcheck...

Heb je bij iedere dorpsbewoner een beroep bedacht?
A
Ja
B
Nee --> doet dit alsnog
C
Een beetje --> vul je antwoorden aan.

Slide 17 - Quiz

Check, check, dubbelcheck...

Heb je bij iedere dorpsbewoner bedacht wat hij meemaakt/wat er over hem/haar wordt geschreven?
A
Ja
B
Nee --> doet dit alsnog
C
Een beetje --> vul je antwoorden aan.

Slide 18 - Quiz

Check, check, dubbelcheck...

Heeft iedere tekst een ander tekstdoel?
A
Ja? Check!
B
Nee? Pas aan, zodat dit wel het geval is.

Slide 19 - Quiz

Check, check, dubbelcheck...

Heeft iedere tekst een andere tekstvorm?
A
Ja? Check!
B
Nee? Pas aan, zodat dit wel het geval is.

Slide 20 - Quiz

Check, check, dubbelcheck...

De teksten zijn verdeeld. Je weet welke teksten jij uitwerkt en welke teksten je groepsgenoot uitwerkt.
A
Ja? --> check!
B
Nee? Doe dit alsnog
C
Een beetje --> zorg dat het duidelijk is

Slide 21 - Quiz

Einde van de les!

Je hebt nu alle input (inhoud) voor de dorpskrant verzameld!
Volgende les start je met schrijven!

Slide 22 - Slide