Weer, herfst.

WEER,

HERFST

Lotte Dobbelaere & Stan Leye

1 / 47
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNederlandsOnthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomersAlfa CLeeftijd 5,18

This lesson contains 47 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 100 min
Report this lesson

Items in this lesson

WEER,

HERFST

Lotte Dobbelaere & Stan Leye

HET WEER

De cursisten kunnen:

·       enkele veelvoorkomende weersomstandigheden benoemen.

·       in eenvoudige zinnen vertellen hoe het weer is.

·       de belangrijkste informatie uit een kort weerbericht begrijpen.

·       uitleggen wat ze doen bij een eenvoudige weerwaarschuwing.

Lesdoelen

Les 1

Wat zie je?

A

Zon

B

Sneeuw

C

Regen

D

Regenboog

Wat zie je?

A

Zon

B

Sneeuw

C

Regen

D

Regenboog

Wat zie je?

A

Zon

B

Sneeuw

C

Regen

D

Regenboog

Wat zie je?

A

Zon

B

Sneeuw

C

Regen

D

Regenboog

HET WEER

Deze les

  1. Basiswoordenschat

  2. Weerkaarten

  3. Leestekst

  4. Mijn weerbericht

  5. Vragen/quiz

Fragment 2

Is dit mooi weer?

Leg uit waarom.

Is dit mooi weer?

Leg uit waarom.

Het is mooi weer.

Het is zonnig weer.

De zon schijnt.

Het is warm.

De temperatuur ligt hoog.

Het is heet.


Is dit mooi weer?

Leg uit waarom.

Is dit mooi weer?

Leg uit waarom.

Het is bewolkt.

Het is grijs weer.

De wind waait.

De temperatuur ligt laag.

Het is koud.

Het is slecht weer.


Fragment 2

Herhaal de zinnen luidop.

Kies het passende woord.

A

Mooi weer

B

Vorst

C

Wind

D

Temperatuur

Kies het passende woord.

A

Mist

B

Zonnig

C

Koud

D

Bliksem

Kies het passende woord.

A

Bliksem

B

Heet

C

Sneeuw

D

Gladheid

Kies het passende woord.

A

Zon

B

Donder

C

Regen

D

Regenboog

Beschrijf het weer in twee korte zinnen.

Beschrijf het weer in twee korte zinnen.

Beschrijf het weer in twee korte zinnen.

Het weerbericht

Vandaag is het bewolkt in België. In Gent is het 12 graden.

Er waait een stevige wind. In de namiddag kan het regenen. Neem een jas en een paraplu mee. Morgen komt de zon

soms tevoorschijn. Het wordt iets warmer.

Instructie:

  • Lees het weerbericht.

  • Zoek de temperatuur.

  • Zoek de weersomstandigheden.

  • Zoek het advies.

Het weerbericht

Instructie:

  • Werk in duo.

  • Bekijk samen de afbeelding.

  • Maak een weerbericht op basis van de foto.

  • Het weerbericht moet drie zinnen lang zijn.

  • Het weerbericht moet advies geven.

  • Nadien stelt elk duo het weerbericht voor.

Ik kan

het weer beschrijven.

A

Heel goed.

B

Goed.

C

Een beetje.

D

Nog niet.

Ik kan

temperaturen begrijpen.

A

Heel goed.

B

Goed.

C

Een beetje.

D

Nog niet.

Ik kan een eenvoudig

weerbericht begrijpen.

A

Heel goed.

B

Goed.

C

Een beetje.

D

Nog niet.

WEER,

HERFST

Lotte Dobbelaere & Stan Leye

DE HERFST

De cursisten kunnen:

  • minstens vier kenmerken van de herfst benoemen.

  • vertellen wat er verandert aan het weer en in de natuur.

  • herfstkleding en activiteiten benoemen.

  • de belangrijkste informatie uit een korte herfsttekst begrijpen.

  • vertellen over een activiteit die ze graag doen in de herfst.

Lesdoelen

Les 2

DE HERFST

Deze les

  1. Basis woordenschat.

  2. Veranderingen natuur beschrijven.

  3. Herfstkleding en -activiteiten.

  4. Leestekst.

  5. Voorstellen herfstactiviteit.

Fragment 1

Is het herfst?

Leg uit waarom.

Is dit herfst?

Leg uit waarom.

We zijn in het najaar.

Het is kouder weer.

De dagen worden korter.

We gaan over op winteruur.

De wordt vroeger donker.


Fragment 2

Kies het passende woord.

A

Warme trui

B

Sneeuw

C

Mist

D

Bos

Kies het passende woord.

A

Verkleurde bladeren

B

Regen

C

Zomer

D

Grijs

Kies het passende woord.

A

Temperatuur

B

Jas

C

Winteruur

D

Laarzen

Fragment 3

Beschrijf in enkele korte zinnen wat je ziet.

Beschrijf in enkele korte zinnen wat je ziet.

Beschrijf in enkele korte zinnen wat je ziet.

Het is herfst.

Het is herfst in België. Het wordt kouder en de dagen worden korter. Soms regent het. Soms schijnt de zon.

De bladeren aan de bomen worden geel, rood en bruin.

Ze vallen op de grond. Mensen dragen een jas en warme schoenen. In de herfst wandelen veel mensen in het bos. Ze zoeken kastanjes en eikels. Thuis drinken ze graag warme thee of eten ze pompoensoep.

Instructie:

  • Lees de tekst.

  • Duid de woorden aan die je kent.

  • Duid nieuwe woorden aan.

  • Nadien overlopen we alles.

Plan een herfstdag

Instructie:

  • Werk in duo.

  • Plan samen een herfstdag.

  • Kies kleding, activiteit en iets om te eten of te drinken.

  • Het plan moet uit drie zinnen bestaan.

  • Nadien stelt elk duo het plan voor.

Ik kan kenmerken van

de herfst benoemen.

A

Heel goed.

B

Goed.

C

Een beetje.

D

Nog niet.

Ik kan vertellen wat herfstkleding is.

A

Heel goed.

B

Goed.

C

Een beetje.

D

Nog niet.

Ik kan een

herfstdag beschrijven.

A

Heel goed.

B

Goed.

C

Een beetje.

D

Nog niet.