04/10/2022 grammatica woordsoorten les 1

1 / 16
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 16 slides, with text slides.

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

10 minuten stil lezen uit je leesboek

Doe je telefoon in de telefoontas
Leg al je boeken op tafel
Ga rustig op je plaats zitten
Leg je huiswerk op de hoek van je tafel (werkblad)


Slide 2 - Slide

Grammatica woordsoorten les 1

Slide 3 - Slide

Wat gaan we vandaag doen? 
- Huiswerk bespreken
- Uitleg theorie
- Begrijp je het?
- Werken aan de opdracht

Aan het einde van de les kan je wederkerende en wederkerige werkwoorden herkennen. 

Slide 4 - Slide

Huiswerk bespreken
Het werkblad 

Slide 5 - Slide

Nieuwe theorie 
Wederkerend en wederkerig voornaamwoord


Schrijf je vragen op en bewaar ze voor na de uitleg. 

Slide 6 - Slide

Wederkerig voornaamwoord
Er is maar 1 wederkerig voornaamwoord (wedig.vnm):
  • elkaar
  • Soms wordt het geschreven als mekaar of elkander


Slide 7 - Slide

Wederkerend voornaamwoorden
  • Bij wederkerende werkwoorden zie je het onderwerp terugkomen (wederkeren) in het wederkerend voornaamwoord (wed.vnw). 
  • Het hangt van het onderwerp af welke wederkerend voornaamwoord je gebruikt:
    - Ik verslik me                               - Wij/we verslikken ons
    - Jij verslikt je                               - Jullie verslikken je 
    - Hij/zij/het verslikt zich          - Zij/ze verslikken zich 

Slide 8 - Slide

Wederkerend voornaamwoorden
Mezelf, jezelf en zichzelf -> toevallig wederkerend werkwoorden (bv: zich wassen, zich scheren)
  • Janny wast zichzelf altijd met badschuim. 
  • Ik vergiste mezelf bij het uitreken van de som. (ongrammaticaal)

Slide 9 - Slide

Wederkerend voornaamwoorden
  • Zich is altijd een wederkerend voornaamwoord. 

  • Me, je en ons kunnen ook persoonlijk voornaamwoord zijn.
  • Je en ons kunnen ook nog eens bezittelijk voornaamwoord zijn.


Slide 10 - Slide

Wederkerend voornaamwoorden
Hoe stel je het woordsoort vast?
  • Vervang het woord me, je of ons door hij, hem, zijn of zich. Als je het kan vervangen 
  • door hij of hem, dan is het een persoonlijk voornaamwoord.
  • door zijn, dan is het een bezittelijk voornaamwoord. 
  • door zich, dan is het een wederkerend voornaamwoord.

  • Schaam je je altijd als je broertje een domme opmerking maakt?
  • Schaamt hij zich altijd als zijn broertje een domme opmerking maakt?

Slide 11 - Slide

Begrijp je het? 

Slide 12 - Slide

Denk jij dat Jos zich zo'n iPhone kan veroorloven of is die te duur voor hem?
Benoem de vetgedrukte woorden.
Kies uit pers.vnm, bez.vnm, wed.vnm of wedig.vnm
  • jij = persoonlijk voornaamwoord 
  • zich = wederkerend voornaamwoord 
  • hem = persoonlijk voornaamwoord 

Slide 13 - Slide

Ik heb me vergist bij de berekening van mijn reiskosten.
Benoem de vetgedrukte woorden.
Kies uit pers.vnm, bez.vnm, wed.vnm of wedig.vnm
  • ik =  persoonlijk voornaamwoord
  • me = wederkerend voornaamwoord
  • mijn = bezittelijk voornaamwoord 

Slide 14 - Slide

Werken aan de opdracht
Wat? Opdracht 1 en 2 op bladzijde 31
Hoe? Zelfstandig en stil
Tijd? Tot het einde van de les. Het is huiswerk voor 11/10. 
Vragen? Steek je hand op en ik kom bij je langs
Klaar? Werk verder aan ander huiswerk of lees uit je leesboek.

Slide 15 - Slide

Huiswerk

Voor volgende week dinsdag (11/10) moet opdracht 1 en 2 op blz 31 af zijn.
Schrijf dit op in je plenda.

Slide 16 - Slide