11/10/2022 grammatica woordsoorten les 2

1 / 16
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 16 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

10 minuten stil lezen uit je leesboek

Doe je telefoon in de telefoontas
Leg al je boeken op tafel
Ga rustig op je plaats zitten
Leg je huiswerk op de hoek van je tafel (opdr 1 en 2 blz 31)


Slide 2 - Slide

Grammatica woordsoorten les 2

Slide 3 - Slide

Wat gaan we vandaag doen? 
- Huiswerk bespreken
- Wat weet je nog?
- Korte herhaling theorie
- Werken aan de opdracht

Aan het einde van de les kan je wederkerende en wederkerige werkwoorden herkennen. 

Slide 4 - Slide

Huiswerk bespreken
Opdracht 1 en 2 bladzijde 31

Slide 5 - Slide

Wat weet je nog?

Slide 6 - Slide

Zij vinden elkaar hartstikke leuk.


A
wederkerend voornaamwoord
B
wederkerig voornaamwoord

Slide 7 - Quiz

Wij ergeren ons al de hele nacht aan het lawaai.
A
wederkerend voornaamwoord
B
wederkerig voornaamwoord

Slide 8 - Quiz

Ik verslikte mezelf in een appel.
A
grammaticaal
B
ongrammaticaal

Slide 9 - Quiz

Elkaar is een wederkerig voornaamwoord. Wat zijn de twee andere wederkerige voornaamwoorden?

Slide 10 - Open question

Herhaling theorie 
Wederkerend en wederkerig voornaamwoord


Schrijf je vragen op en bewaar ze voor na de uitleg. 

Slide 11 - Slide

Wederkerig voornaamwoord
Er is maar 1 wederkerig voornaamwoord (wedig.vnm):
  • elkaar
  • Soms wordt het geschreven als mekaar of elkander


Slide 12 - Slide

Wederkerend voornaamwoorden
  • Bij wederkerende werkwoorden zie je het onderwerp terugkomen (wederkeren) in het wederkerend voornaamwoord (wed.vnw). 
  • Het hangt van het onderwerp af welke wederkerend voornaamwoord je gebruikt:
    - Ik verslik me                               - Wij/we verslikken ons
    - Jij verslikt je                               - Jullie verslikken je 
    - Hij/zij/het verslikt zich          - Zij/ze verslikken zich 

Slide 13 - Slide

Wederkerend voornaamwoorden
Hoe stel je het woordsoort vast?
  • Vervang het woord me, je of ons door hij, hem, zijn of zich. Als je het kan vervangen door:
  • hij/hem -> persoonlijk voornaamwoord
  • zich -> wederkerend voornaamwoord
  • zijn -> bezittelijk voornaamwoord

  • Schaam je je altijd als je broertje een domme opmerking maakt?
  • Schaamt hij zich altijd als zijn broertje een domme opmerking maakt?

Slide 14 - Slide

Werken aan de opdracht
Wat? Opdracht 4 op bladzijde 31
Hoe? Zelfstandig en stil
Tijd? Tot het einde van de les. 
Vragen? Eerste vijf minuten geen vragen
Klaar? Kijk je antwoorden na, het antwoordblad ligt bij mij. Daarmee klaar? Lees verder uit je leesboek of werk aan ander huiswerk. 

Slide 15 - Slide

Huiswerk

Geen huiswerk in verband met de toetsweek.

Slide 16 - Slide