werkwoorden toets 1




In deze les komen eerst de regelmatige werkwoorden voorbij, daarna de onregelmatige werkwoorden. 
1 / 14
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 4,5

This lesson contains 14 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson




In deze les komen eerst de regelmatige werkwoorden voorbij, daarna de onregelmatige werkwoorden. 

Slide 1 - Slide

Welke tijden kennen we ? 
voltooid tegenw. tijd
v.t.t.
ik heb gespeeld
onvoltooid verleden tijd
o.v.t.
ik speelde
nabijgelegen toekomst
toekomende tijd
ik ga spelen
tegenwoordige tijd
o.t.t.
ik speel
verdere toekomst
toekomende tijd
ik zal spelen
voorwaardelijke wijs
ik zou spelen
passé composé
futur proche
Imparfait
Présent
Conditionnel
futur simple

Slide 2 - Drag question

présent verbes -er (21.1)

Slide 3 - Slide

imparfait verbes -er (21.2.1)
  • Wanneer gebruik je de imparfait?
Om een gewoonte of toestand in het verleden te beschrijven.
De imparfait kan vaak vertaald worden met: was bezig met, was aan het, zat te, lag te...
  • Hoe maak je de imparfait? Neem de nous-vorm van de présent -ons en plak daar achter: ais/ais/ait/ions/iez/aient

Slide 4 - Slide

Je marchais
Tu habit___
Elle aim___
Nous achet___
Vous ador___
Ils parl___
IMPARFAIT:

Sleep de juiste uitgang naar het juiste werkwoord
ais
ions
ait
aient
iez

Slide 5 - Drag question

passé composé verbes -er (21.2.2)
  • Wanneer gebruik je de passé composé?
Om een eenmalige handeling/gebeurtenis of een serie handelingen/gebeurtenissen in het verleden te beschrijven.
  • Hoe maak je de passé composé?                                                          hulpwerkwoord  + hele werkwoord -er + é
  • hulpwerkwoord? meestal avoir, behalve bij wederkerende werkwoorden en bewegingswerkwoorden (arriver, partir, aller, venir, entrer, sortir, rentrer, retourner, rester, tomber, naître, mourir)

Slide 6 - Slide

Futur (simple) - zullen (21.8)
1. Pak het hele werkwoord
2. Hele werkwoord + uitgang van het werkwoord avoir

Je → ai
Tu → as
Il/elle/on → a
Nous → ons
Vous → ez
Ils/elles → ont

Slide 7 - Slide

Conditionnel (futur du passé) - zouden (21.9)
1. Pak het hele werkwoord
2. Hele werkwoord + uitgangen imparfait
Je → ais
Tu → ais
Il/elle/on → ait
Nous → ions
Vous →iez
Ils/elles → aient

Slide 8 - Slide

Onregelmatige werkwoorden
De regels die hierboven staan beschreven gelden ook voor de onregelmatige werkwoorden maar : 
  • de présent van deze werkwoorden is altijd anders dus leer ze uit het hoofd
  • voor de p.c. leer je het voltooid deelwoord uit het hoofd en of het avoir/être moet zijn als hulpwerkwoord
                                                                                                                    --> 

Slide 9 - Slide

Onregelmatige werkwoorden
  • De imparfait vervoegt zich zoals de regel aangeeft, enige uitzondering is être : nous sommes --> j'étais
  • futur simple en conditionnel hebben een eigen basis waarna je dan de uitgangen aanvult zoals ze al stonden aangegeven. Deze basis moet je uit je hoofd leren!

Slide 10 - Slide

avoir
être

Slide 11 - Slide

aller
faire

Slide 12 - Slide

Futur
Conditionnel
serai 
voudrai
voudrais
serais
irions
irez
parleras
pourraient

Slide 13 - Drag question

à faire
  • aan de slag met 183 t/m 188 grammairriche
  • de regelmatige werkwoorden marcher, voyager, travailler, donner en rester moet je kennen voor de toets (inc. betekenis)
  • de onregelmatige werkwoorden  kun je oefenen op www.verbuga.eu 

Slide 14 - Slide