clase 28 de septiembre

hoy es 28 de septiembre

1 / 24
next
Slide 1: Slide
New lesson editorSpaansMBOStudiejaar 1

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 75 min
Report this lesson

Items in this lesson

hoy es 28 de septiembre

programa de hoy

repaso: 0-20

ser y tener

1.05 t/m 1.11 (p. 18-23)

1,12 het zelfstandig naamwoord

Coge tu móvil


persoonlijke voornaamwoorden, ser en tener. p. 21


Je mag het boek erbij houden

Wat betekent "yo" in het Spaans?

A

ik

B

wij

C

jij

D

zij

Wat betekent "tú" in het Spaans?

A

zij

B

jij

C

wij

D

ik

Wat betekent "él" in het Spaans?

A

zij

B

hij

C

jij

D

wij

Wat betekent "ella" in het Spaans?

A

wij

B

ik

C

zij

D

jij

Wat betekent "nosotros" in het Spaans?

A

wij

B

ik

C

zij

D

jij

Wat betekent "ellos" in het Spaans?

A

ik

B

jij

C

zij (meervoud)

D

wij

Wat betekent "usted" in het Spaans?

A

jij

B

u

C

wij

D

ik

Wat betekent "ustedes" in het Spaans?

A

jullie (formeel)

B

zij

C

wij

D

ik

Wat betekent de Spaanse vorm 'yo tengo' in het Nederlands?

A

ik heb

B

ik ben

C

jij hebt

D

wij hebben

Wat betekent de Spaanse vorm 'yo tengo'?

A

ik heb

B

ik ben

C

jij hebt

D

wij hebben

Wat betekent 'tú eres' in het Nederlands?

A

jij hebt

B

jij bent

C

ik ben

D

zij zijn

Welke vorm van 'tener' hoort bij 'nosotros'?

A

tenéis

B

tenemos

C

tienen

D

tengo

Welke vorm van 'ser' hoort bij 'ellos/ellas'?

A

somos

B

eres

C

son

D

soy

Wat betekent 'él tiene'?

A

hij is

B

zij heeft

C

hij heeft

D

jij hebt

Wat betekent 'vosotros tenéis'?

A

jullie zijn

B

wij hebben

C

jullie hebben

D

zij hebben

Welke vorm van 'ser' hoort bij 'yo'?

A

eres

B

soy

C

es

D

somos

Wat betekent 'ustedes tienen'?

A

u bent

B

jullie hebben

C

jullie zijn

D

wij hebben

Welke combinatie is helemaal correct?

A

yo soy = ik ben

B

tú tienes = jij bent

C

nosotros somos = wij hebben

D

ellos son = zij hebben

maken


opdracht 1.09 p. 22

opdracht 1.10 p. 22-23


opdracht 1.11 p. 23-24


Het zelfstandig naamwoord in het Spaans

Mannelijke zelfstandige naamwoorden eindigen vaak op een -o


Vrouwelijke zelfstandige naamwoorden eindigen vaak op een -a, -dad of -ión


boek p. 25-26

Huiswerk

leren werkwoorden SER en TENER


maken 1.14-1.15 p. 26-27