Talent H4 kader 4.7 grammatica

Grammatica Woordsoorten
1 / 24
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 2

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Grammatica Woordsoorten

Slide 1 - Slide

Grammatica - woordsoorten 1

- lidwoord

- zelfstandig naamwoord

- werkwoord (hww,zww)

- bijvoeglijk naamwoord

- voorzetsel

- persoonlijk voornaamwoord
-bezittelijk voornaamwoord
-aanwijzend voornaamwoord
-telwoord
vragend voornaamwoord

Slide 2 - Slide

Grammatica woordsoorten
  • Lidwoorden (lw): De, het & een  (de persoon, het huis, een proefwerk, )
  • Zelfstandige naamwoorden: Mensen, dieren, dingen & namen.
     - de persoon
     - de leeuw
     - het huis


Slide 3 - Slide

Grammatica woordsoorten
  • Zelfstandige naamwoorden (zn): mensen, dieren, dingen & namen
- Er kunnen lidwoorden voor het zelfstandige naamwoord staan.
(de persoon, de leeuw, het huis)
- Er kunnen ook bijvoeglijke naamwoorden voor het zelfstandige naamwoord staan. 
(de mooie persoon, de grote leeuw, het kleine huis) 

Slide 4 - Slide

Voorzetsels
  • Naast het bord
  • Voor het bord
  • Achter het bord
  • Op het bord
  • In het bord 
  • Onder het bord
  • Door het bord

Slide 5 - Slide

Hulpwerkwoord (HWW)
Alle werkwoorden die nu nog over zijn, zijn hulpwerkwoord

Kenmerken:
  • komen dus voor in zinnen met meer dan 1 werkwoord
  • helpen om het gezegde te maken.

Slide 6 - Slide

Wat is het hulpwerkwoord:
'Vandaag heb ik Nederlands.'
A
vandaag
B
heb
C
Er is er geen
D
Nederlands

Slide 7 - Quiz

Wat is kenmerk van een hulpwerkwoord?
A
helpt het belangrijkste werkwoord in de zin
B
kan als enig werkwoord in een zin staan
C
belangrijkste werkwoord in een zin

Slide 8 - Quiz

hulpwerkwoord
Ik ben naar de kapper geweest.
ben=
A
hulpwerkwoord
B
zelfstandig werkwoord

Slide 9 - Quiz

Zelfstandig werkwoord
Wanneer een werkwoord de handeling / actie aangeeft, 
spreek je van een zelfstandig werkwoord (zww).


Er staat altijd maar één zelfstandig werkwoord in een zin.

Slide 10 - Slide

Wat is een zelfstandig werkwoord?
A
Werkwoord dat de actie aangeeft in de zin
B
Werkwoord dat een ander werkwoord helpt
C
voltooid deelwoord

Slide 11 - Quiz

zelfstandig werkwoord of hulpwerkwoord?

Ik heb gegeten
heb = .....
A
zelfstandig werkwoord
B
hulpwerkwoord

Slide 12 - Quiz

zelfstandig werkwoord of hulpwerkwoord?

Ik heb gefietst
gefietst = .....
A
zelfstandig werkwoord
B
hulpwerkwoord

Slide 13 - Quiz

Persoonlijke voornaamwoorden
Enkelvoud
onderwerp
ander zinsdeel
1e persoon
ik
me/mij
2e persoon
je/jij
je/jij
u
3e persoon
hij
hem
ze/zij
ze/haar
het
het
Meervoud
onderwerp
ander zinsdeel
1e persoon
wij
ons
2e persoon
jullie
jullie
u
u
3e persoon
ze/zij
ze/hen/hun

Slide 14 - Slide

Bezittelijk voornaamwoord

Slide 15 - Slide

aanwijzend voornaamwoord
Er zijn maar zes aanwijzende voornaamwoorden: 
dit, dat, die, deze, zo’n, zulke.

Slide 16 - Slide

Wat is een aanwijzend voornaamwoord?
Een aanwijzend voornaamwoord (aanw. vnw.) wijst iets aan.

Dit zijn de aanwijzende
voornaamwoorden:
- Die
- Dit
- Dat
- Deze 

Slide 17 - Slide


Wat is het aanwijzend voornaamwoord in de zin:
A
deze
B
hetzelfde
C
die
D
deze, die

Slide 18 - Quiz

Vragend voornaamwoord

Er zijn vier  vragende voornaamwoorden.


Namelijk:

1.

2.

3.

4.

Slide 19 - Slide

Wie, wat, welke, wat voor een

Slide 20 - Slide

Telwoord
De volgende telwoorden bestaan er:
  • hoofdtelwoord :
  1. bepaalde hoofdtelwoorden
  2. onbepaalde hoofdtelwoorden
  • rangtelwoorden
  1. bepaalde rangtelwoorden
  2. onbepaalde rangtelwoorden

Slide 21 - Slide

Hoofdtelwoord
hoofdtelwoord: geeft een hoevelheid aan.
bepaald hoofdtelwoord: een, 3, zes, vierentwintig
onbepaald hoofdtelwoord: veel, weinig, alle

Slide 22 - Slide

rangtelwoord
bepaald rangtelwoord:Een plaats in een rij: 
vierde, derde etc.

onbepaald rangtelwoord:Onduidelijke plaats in een rij:
eerste, laatste etc.

Slide 23 - Slide

Maken alles moet groen zijn
4.7 opdracht:
1,3,4,6,7

Slide 24 - Slide