This lesson contains 38 slides, with interactive quizzes and text slides.
Lesson duration is: 40 min
Items in this lesson
Chemische reacties en reactiesnelheid
Slide 1 - Slide
Productieproces
1. De manier waarop een product gemaakt wordt.
2. Hoe je een product maakt staat in een voorschrift.
Slide 2 - Slide
Waarom een blokschema?
Een blokschema geeft overzicht over hoe een proces in zijn werking gaat.
Blokschema:
blokken: processen
pijlen :stoffen.
Slide 3 - Slide
Slide 4 - Slide
Slide 5 - Slide
1. De pijl in een blokschema geeft de ___________ aan.
2. In de ___________ staat wat er met het product gebeurt.
3. De ___________ schrijf je op als een werkwoord.
4. Je leest een blokschema van ___________ naar ___________ .
5. Aan de richting van de ___________ zie je of een stof wordt toegevoegd of afgevoerd.
bewerking
links
stofstroom
blokken
onder
fasen
rechts
pijl
stoffen
Slide 6 - Drag question
Productieproces bier.
Hoe brouw je bier?
de gerst laten ontkiemen;
de gerst laten drogen, zodat mout ontstaat;
het mout malen;
het mout vermengen met water;
het mout met water zeven, zodat wort ontstaat;
het wort koken;
het toevoegen van biergist;
het bier laten rusten.
Slide 7 - Slide
Wat heb je als eerste nodig om een product te maken?
A
beginstoffen
B
fabriek
C
machines
D
voorschrift
Slide 8 - Quiz
Wat hoort niet bij de voorbereiding van een productieproces?
A
Hoeveel producten je wilt maken
B
hoeveel producten je wilt verkopen
C
wat de gevaren zijn van het productieproces
D
welke stoffen je nodig hebt.
Slide 9 - Quiz
Waarom is een blokschema handig?
A
om de verschillen tussen 2 processen goed te kunnen zien
B
om te kijken welke scheidingsmethode je gebruikt
C
om te kijken wat duurzaam is en wat niet
D
om het oorspronkelijke proces te weergeven
Slide 10 - Quiz
Leerdoelen
Je leert:
wat een chemische reactie is;
wat reactiesnelheid is;
hoe je een reactie kunt versnellen of vertragen.
Slide 11 - Slide
Wat is een chemische reactie
Slide 12 - Open question
Welke van de volgende processen is een chemische reactie?
A
Ademhalen
B
Stollen
C
Destilleren
D
Filtreren
Slide 13 - Quiz
Welke van de volgende processen is geen een chemische reactie?
A
Roesten
B
Verbranden
C
Oplossen
D
Broodbakken
Slide 14 - Quiz
Reactiesnelheid
De snelheid waarmee een reactie verloopt.
Hoe groter de reactiesnelheid, hoe sneller de reactie gaat.
Hoe groter de reactiesnelheid, hoe korter de reactietijd.
Slide 15 - Slide
Temperatuur verhogen
Hoe hoger de temperatuur, hoe sneller de reactie.
Hoe lager de temperatuur, hoe langzamer de reactie.
Slide 16 - Slide
In koude thee lost de suiker even snel op als in warmte thee.
A
Juist
B
Onjuist
Slide 17 - Quiz
Deeltjes kleiner maken
In verhouding een groter oppervlak.
Hoe groter de verdelingsgraad, hoe sneller een reactie.
Slide 18 - Slide
Aardappelen in kleine stukjes zijn sneller gaar dan hele aardappelen.
A
Juist
B
Onjuist
Slide 19 - Quiz
Bij gassen de druk groter maken
Gassen reageren sneller als de druk hoger is.
Slide 20 - Slide
Onder hoge druk bewegen de moleculen van gassen veel sneller.
A
Juist
B
Onjuist
Slide 21 - Quiz
Concentratie verhogen
De concentratie is het aantal gram opgeloste stof per liter oplosmiddel.
Als de concentratie hoger is, is er meer stof opgelost in hetzelfde volume. (2 paracetamol innemen i.p.v. 1)
Daardoor gaat een proces sneller.
Slide 22 - Slide
Als je meer suiker in de thee doet, neem de concentratie toe.
A
Juist
B
Onjuist
Slide 23 - Quiz
Een katalysator gebruiken
Een suikerklontje brand niet.
Als je een suikerklontje inwrijft met as van een sigaret, dan gaat het suikerklontje wel branden.
As is een katalysator.
Een katalysator is een hulpstof waarmee een reactie sneller gaat lopen.
Slide 24 - Slide
Van welke vijf factoren hangt de reactiesnelheid af?
Slide 25 - Open question
Massaverhouding
Bij een chemische reactie reageren de stoffen in een vaste verhouding. Zo reageren ijzer en zwavel in de verhouding 7 : 4. Dit betekent dat 7 gram ijzer altijd reageert met 4 gram zwavel.
Slide 26 - Slide
rekenen met massaverhoudingen
ammoniak en waterstofchloride reageren met een verhouding van 7:15. Er ontstaat dan salmiak
je hebt 30 gram waterstofchloride
bereken hoeveel gram ammoniak reageert met 30 gram waterstofchloride
waterstofchloride
15
1
30
ammoniak
7
Slide 27 - Slide
rekenen met massaverhoudingen
ammoniak en waterstofchloride reageren met een verhouding van 7:15
je hebt 30 gram waterstofchloride
bereken hoeveel gram ammoniak reageert met 30 gram waterstofchloride
IJzeroxide kan je ontleden in ijzer en zuurstof. Als je 150 gram ijzeroxide ontleedt, ontstaat er 90 gram ijzer. Hoeveel gram zuurstof ontstaat er?
Slide 29 - Open question
De massaverhouding tussen ijzer en zwavel is 7 : 4. Hoeveel gram zwavel reageert er met 700 gram ijzer
A
4 gram
B
40 gram
C
400 gram
D
4000 gram
Slide 30 - Quiz
Aardgas en zuurstof reageren in de verhouding 1 : 4. Hoeveel gram zuurstof heb je nodig voor 75 gram aardgas?
A
75
B
150
C
300
D
600
Slide 31 - Quiz
Bij de reactie tussen aluminium en zuurstof reageren aluminium en zuurstof in de verhouding 10 : 6. Hoeveel gram aluminium reageert er met 90 gram zuurstof?
A
100
B
150
C
200
D
270
Slide 32 - Quiz
Aardgas en zuurstof reageren in de verhouding 1 : 4. Je begint de reactie met 25 gram aardgas en 80 gram zuurstof. Van welke stof heb je teveel?
A
Aardgas
B
Zuurstof
C
Geen van beide
D
Van beide stoffen heb je te veel.
Slide 33 - Quiz
Duurzaamheid
Voor elk proces zijn energie en grondstoffen nodig.
Duurzaamheid: zo min mogelijk afval produceren en dit afval hergebruiken.
Ook hernieuwbare grondstoffen gebruiken.
Producten weer voor iets anders gebruiken: Recyclen
Slide 34 - Slide
IJzererts is een:
A
duurzame grondstof
B
fossiele grondstof
C
vernieuwbare grondstof
D
niet-vernieuwbare grondstof
Slide 35 - Quiz
Welk begrip hoort bij de volgende beschrijving: Brandstoffen gemaakt uit hernieuwbare grondstoffen.