Voorbereiding Toets

Voorbereiding op de toets
1 / 36
next
Slide 1: Slide
MaatschappijwetenschappenMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 36 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Voorbereiding op de toets

Slide 1 - Slide

Leerdoelen
Na deze les ben je goed voorbereid op de toets in de toetsweek :)

Slide 2 - Slide

De aanpak
Een logische eerste vraag is: wat kun je nou verwachten van MAW in de toetsweek? En hoe kan ik het beste leren?

Het belangrijkste is dat je weet hoe je je antwoorden op moet bouwen. In deze les ga je daar mee oefenen!

Slide 3 - Slide

Herhaal de vraag
Een belangrijke tip die je moet toepassen in je toets is het herhalen van de vraag (bij open vragen). 

Zorg er dus voor dat, wanneer je een vraag krijgt, eerst deze vraag in je antwoord herhaalt. Daar hoef je de vraag zelf niet eens voor te begrijpen ;)

Laten we eens oefenen!


Slide 4 - Slide

Herhaal de vraag
  • "Volgens tekst 3 hebben de Zweden een stereotype van egalitarisme.  Leg uit dat in ‘de egalitaire Zweden’ een stereotype te herkennen is. Gebruik in je uitleg een omschrijving van het begrip stereotype en informatie uit tekst 3 waaruit stereotype blijkt."

  • "Leg uit dat in de ontwikkeling van de muziekindustrie van K-pop globalisering te herkennen is. Gebruik in je uitleg de omschrijving van het kernconcept globalisering en twee voorbeelden uit tekst 1 om globalisering te illustreren."

Hoe begin je je antwoord?

Slide 5 - Slide

Vul hier het begin van jouw antwoorden in

Slide 6 - Open question

Herhaal de vraag
Antwoorden


  • In ‘de egalitaire Zweden’ is een stereotype te herkennen, want... 

  • In de ontwikkeling van de muziekindustrie van K-pop is globalisering te herkennen, want... 


Slide 7 - Slide

De DTC-methode
DTC staat natuurlijk voor Doetinchem, maar ook voor:
  • Definitie
  • Toepassen
  • Conclusie

Dit is de manier waarop je vragen moet beantwoorden bij dit vak. 
1. Noem dus eerst de betekenis van het begrip. 
2. Benoem vervolgens wat je leest in de bron of ziet op de foto. 
3. Geef daarna antwoord op de vraag.

Een voorbeeld...

Slide 8 - Slide

De DTC-methode
Vraag 1: is dit een flamingo?

Jouw aanpak is dus als volgt:
  1. Definitie: Een flamingo is een vogel. De flamingo heeft roze veren. De flamingo staat vaak op één poot.
  2. Toepassen: Op de afbeelding is te zien dat het beest een vogel is, dat het een roze kleur heeft en dat die op één poot staat.
  3. Conclusie: Ja, het beest op de afbeelding is dus een flamingo. 

Slide 9 - Slide

De DTC-methode
Nu jij!
Vraag 2: Had de Farao in het Oude Egypte, macht?

Jouw aanpak:
Definitie (van het begrip, in dit geval dus macht)

Toepassing (wat weet je over de Farao?)

Conclusie (beantwoord de vraag) 

BRON 1
"Een farao was de oppermachtige koning en religieuze leider van het oude Egypte. Het woord betekent letterlijk 'groot huis' (verwijzend naar het paleis). 

De farao werd gezien als de schakel tussen de goden en het volk, en was verantwoordelijk voor het handhaven van de kosmische orde en het besturen van het land. 

Hij bezat de absolute macht, leidde het leger, bepaalde de wetten en was de opperrechter en de baas van de tempels"

Slide 10 - Slide

Vul hier jouw antwoord in: Had de Farao in het Oude Egypte, macht?

Slide 11 - Open question

De DTC-methode
Antwoorden
Vraag 2: Had de Farao in het Oude Egypte, macht?

Jouw aanpak:
  1. Definitie: macht is het bezit van bepaalde hulpbronnen waarmee iemand andere mensen kan helpen of tegenwerken, en zijn eigen doelstellingen kan bereiken. 
  2. Toepassing: de Farao werd gezien als een levende god en hij maakte zelf alle wetten in het land. Hij was ook de opperrechter. Daarmee bezit de Farao affectieve en politieke machtsbronnen waarmee hij de mensen uit zijn land kan helpen of tegenwerken. 
  3. Conclusie: de Farao in Egypte had dus macht. 

Slide 12 - Slide

Soorten vragen
1. Leg uit dat er sprake is van *dit begrip*...
Je moet hier laten zien dat je het begrip herkent. Dit doe je door cruciale elementen van dat begrip te benoemen en te koppelen aan de bron (tekst). Zie de cruciale elementen in het rood op de volgende slides.
2. Waar past dit bij? Hoe heet dit begrip? Welk element van een begrip herken je? (1 punt)
Geef antwoord, je hoeft hierbij geen uitleg te geven, want slechts 1 punt. 
3. Meerkeuzevragen
Altijd maar één antwoordmogelijkheid goed. Vul dus niet meerdere letters in.

Slide 13 - Slide

Soorten vragen
Voorbeeld 1
Vraag 1
Leg uit dat uit de tekst blijkt dat het gezag van docenten tegenwoordig laag is. Gebruik in je antwoord in ieder geval het woord 'macht'.
Verwijs in je antwoord naar de tekst!

Slide 14 - Slide

Soorten vragen
Antwoord

Vraag 1
Uit de tekst blijkt dat het gezag van docenten tegenwoordig laag is, want...
1. Gezag is macht die vrijwillig wordt geaccepteerd door de mensen zonder macht. 
2. De macht van de docent wordt niet geaccepteerd door de leerlingen, want ze luisteren niet als wordt gevraagd hun capuchon af te doen. 
3. Daaruit blijkt dat het gezag van docenten tegenwoordig laag is.

Slide 15 - Slide

Soorten vragen
Voorbeeld 2

Vraag 2
In de tekst staat dat de regels helder zijn over het dragen van een capuchon in de klas. Van welk type macht maakt de docent in dat geval gebruik wanneer hij een leerling hier op aanspreekt?

Slide 16 - Slide

Soorten vragen
Antwoord

Vraag 2
In de tekst staat dat de regels helder zijn over het dragen van een capuchon in de klas. Van welk soort macht maakt de docent in dat geval gebruik wanneer hij een leerling hier op aanspreekt?

Formele macht

Slide 17 - Slide

Soorten vragen
Voorbeeld 3

Vraag 3
Welke vier machtsbronnen zijn er?

A. Cognitief, sociaal, economisch, rationeel 
B. Economisch, sociaal, symbolisch, politiek 
C. Affectief, cognitief, economisch, politiek 
D. Emotioneel, symbolisch, affectief, politiek 

Slide 18 - Slide

Soorten vragen
Antwoord

Vraag 3
Welke vier machtsbronnen zijn er?

A. Cognitief, sociaal, economisch, rationeel 
B. Economisch, sociaal, symbolisch, politiek 
C. Affectief, cognitief, economisch, politiek 
D. Emotioneel, symbolisch, affectief, politiek 

Slide 19 - Slide

Leerdoel #1
Je kan uitleggen wat beeldvorming inhoudt en je kan beredeneren dat het gebruik van taal invloed heeft op de manier waarop mensen denken.

Je kunt iemands mening beïnvloeden met taalgebruik = framing. Dat gebeurt soms bewust, door reclamemakers of politici. Maar soms ook onbewust: in krantenkoppen, dagelijks taalgebruik
Want: Hoe iemand iets zegt beïnvloedt hoe je het ziet en hoe je iets ziet beïnvloedt hoe je het zegt. 

Framing draagt bij aan 'beeldvorming' = Het proces waarbij ideeën en indrukken ontstaan over mensen, gebeurtenissen of fenomenen.


Slide 20 - Slide

Leerdoel #2
Je kent de verschillende elementen van het kernconcept cultuur en kan deze herkennen
in een bron. 

Cultuur = VOUWeN
Voorstellingen: beelden, ideeën, verhalen die mensen hebben over een gebeurtenis.
Opvattingen: ideeën, wat je vindt, je gedachten over iets.
Uitdrukkingsvormen: symbolen, taal, mode en tattoos.
Waarden: idealen zoals gelijkheid, vrijheid en veiligheid.
Normen: gedragsregels die voortkomen uit waarden.

Slide 21 - Slide

Leerdoel #3
Je begrijpt dat culturen relatief en dynamisch zijn en kan dat herkennen in een bron.

Cultuurelementen worden door middel van socialisatie overgedragen, maar veranderen ook constant.

Een cultuur is dus dynamisch en plaats- en tijd gebonden. 
Wat op de ene plek (of tijd) normaal is, kan op de andere plek vreemd zijn.
Bijvoorbeeld: de rolverdeling in het gezin

Om aan te tonen dat cultuur dus dynamisch is, dien je dus aan te geven dat cultuur verandert (bijvoorbeeld over de tijd (tijdgebonden)) of per plaats (plaatsgebonden). 

Slide 22 - Slide

Leerdoel #4
Je kent de elementen van het kernconcept socialisatie en kan deze herkennen in een bron.

Mensen krijgen de cultuur van hun samenleving aangeleerd en die cultuur gaat aanvoelen als iets van hunzelf. Dit aanleren en verwerven gebeurt door:
  • Opleiding
  • Opvoeding
  • Allerlei andere manieren waarop mensen contact met elkaar hebben.

Benoem dus wat er wordt aangeleerd en dat dat gaat aanvoelen als iets van hunzelf/verworven. Benoem ook hoe dit gebeurt (dus door opleiding, opvoeding of andere omgang?). 

Slide 23 - Slide

Leerdoel #5
Je kunt voorbeelden geven van verschillende socialisatoren en kunt deze herkennen in
een bron.


Socialisatoren zijn mensen die de cultuur van een groep/samenleving overbrengt aan nieuwkomers (denk even terug aan je tijdlijn die je hebt gemaakt). 

Bijv. ouders, docenten, vrienden, sociale media, de overheid. 

Slide 24 - Slide

Leerdoel #6
Je kan de drie aspecten van identiteit benoemen, beschrijven en herkennen in een bron.

Persoonlijke identiteit = Het zelfbeeld van iemand (wie ben ik?)
Sociale identiteit = Met welke groep(en) je jezelf identificeert (bij wie hoor ik?)

Collectieve identiteit
= Intern: het beeld dat een groep van zichzelf heeft (wie zijn wij?)
= Extern: het beeld dat de samenleving heeft van een groep (wie zijn zij?)

Wanneer je een keuze moet maken voor één van deze aspecten, zorg er dan voor dat je laat zien dat je weet wat dit betekent. Bijv. "persoonlijke identiteit gaat om jouw zelfbeeld"

Slide 25 - Slide

Leerdoel #7
Je kent het kernconcept sociale ongelijkheid, en kunt deze herkennen in een bron.

Wanneer verschillen tussen mensen (aangeboren of niet aangeboren) gevolgen heeft voor hun plek in de maatschappij. Bijvoorbeeld niet hetzelfde gewaardeerd worden, ongelijk behandeld worden of wanneer zeldzame of zeer gewilde dingen ongelijk worden verdeeld. 

Geef hierbij dus aan welke verschillen er zijn tussen mensen (zie hulpbronnen) en welke gevolgen dit heeft voor de waardering, behandeling of de verdeling van zeer gewilde dingen. (zet dus 3 stappen).

Slide 26 - Slide

Leerdoel #8
Je kunt de vier ongelijke verdelingen van hulpbronnen benoemen, beschrijven en herkennen in een bron.

Sociale ongelijkheid ontstaat bij een ongelijke verdeling van 'hulpbronnen'
  • Economische hulpbronnen: geld en bezit
  • Sociale hulpbronnen: contacten met mensen
  • Symbolische hulpbronnen: status en aanzien
  • Politieke hulpbronnen: macht en gezag

Zorg er dus voor dat je deze hulpbronnen kent en uit elkaar kunt houden. 

Slide 27 - Slide

Leerdoel #10
 Je kan uitleggen wat het macht inhoudt, de twee elementen van het kernconcept macht onderscheiden en herkennen in een bron.

Het vermogen om hulpbronnen in te zetten om bepaalde doelstellingen te bereiken en de handelingsmogelijkheden van anderen te beperken of te vergroten. '

Macht draait dus om het bezitten van bepaalde hulpbronnen (en deze kunnen inzetten). Met deze hulpbronnen kan die persoon/groep zijn doelstellingen bereiken (en geef dus aan wat dat doel is) of hij kan andere mensen helpen of tegenwerken (en geef dan ook aan hoe die dat doet). 

Slide 28 - Slide

Leerdoel #11
Je kunt de vier machtsbronnen beschrijven en herkennen in een bron.\

Affectieve: invloed op grond van gevoel en emoties (ouders)
Cognitieve: invloed op basis van kennis (virologen)
Economische: invloed op basis van geld of het bezit van schaarse goederen 
Politieke: invloed van de overheid of politieke machtsdragers

Bij het aantonen van macht van iemand, moet je dus ook benoemen waar die macht vandaan komt. Maak daarbij een keuze uit één van deze vier hulpbronnen. 

Slide 29 - Slide

Leerdoel #12
Je kent het verschil tussen informele en formele macht en kunt deze herkennen in een bron. 

Formele macht
Macht die iemand heeft op grond van zijn positie én welke is vastgelegd in regels.

Informele macht
Macht die iemand heeft op basis van uitstraling, kennis of charisma en welke niet is vastgelegd. 

Slide 30 - Slide

Leerdoel #13
Je kan het kernconcept samenwerking uitleggen en herkennen in een bron.

Het proces waarin individuen, groepen en/of staten relaties vormen om hun handelen op elkaar af te stemmen voor een gemeenschappelijk doel.
Het proces waarin personen, groepen of landen gaan samenwerken door afspraken te maken over wat ze precies gaan doen om zo hetzelfde doel te behalen. 

Toon dus aan dat er afspraken worden gemaakt tussen mensen, groepen of landen. Geef vervolgens aan welk doel ze samen willen bereiken.

Slide 31 - Slide

Leerdoel #14
Je kan de drie eisen voor een goede samenwerking benoemen.

Compromisbereidheid:  je moet bereid zijn om soms wat water bij de wijn te doen, soms genoegen te nemen met minder. Geven en nemen...

Wederzijdse acceptatie: je moet diegene accepteren zoals die is en diegene jou. 

Onderling vertrouwen: je moet elkaar kunnen vertrouwen, bijv. op de capaciteiten van de ander. Doe je dat niet, dan zul je ofwel niet zo snel gaan samenwerken, of zal de samenwerking niet goed verlopen. 

Slide 32 - Slide

Leerdoel #15
Je kan het kernconcept conflict uitleggen en herkennen in een bron, en aangeven of het om een latent of manifest conflict gaat.

Een situatie waarin individuen, groepen en/of staten elkaar tegenwerken om de eigen doelen te bereiken.

Manifest conflict = er wordt openlijk tegengewerkt, het conflict is zichtbaar.
Latent conflict = het conflict is subtieler, verborgen.


Slide 33 - Slide

Leerdoel #16
Je kent de twee conflictbenaderingen van Marx en Huntington en kunt deze herkennen in een bron.

Huntington: Er bestaan verschillen tussen mensen. Zij hebben verschillende culturen en identiteiten. Dit is de grote bron voor conflicten in de wereld.  

Marx: Conflicten ontstaan wanneer de ene groep mensen meer bezit heeft dan de andere groep mensen.

Conflict ontstaat dus ofwel door verschillen in cultuur (Huntington) of door verschillen in zeer gewilde dingen (vaak geld). 

Slide 34 - Slide

Hoeveel vertrouwen heb je in de toets in de toetsweek?
😒🙁😐🙂😃

Slide 35 - Poll

Hier wil ik nog graag meer uitleg over/dit snap ik nog niet helemaal
Voor de volgende les
Hier wil ik nog graag meer uitleg over of dit snap ik nog niet helemaal:

Slide 36 - Open question