Steigerungsformen

1 / 40
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2-4

This lesson contains 40 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Die Steigerungsformen des Adjektivs

Slide 2 - Slide

Ziele
  • Je weet wat de overtreffende trap is.
  • Je weet hoe je de stellende, vergrotende en overtreffende trap in het Duits maakt.
  • Je kunt de overtreffende trap als bijvoeglijk naamwoorden gebruiken en zelf toepassen in zinnen.
  • Je weet welke vergelijkingswoorden er in het Duits zijn en de Nederlandse vertalingen. 

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Video

Trappen van vergelijking
stellende trap: Het woord blijft hetzelfde -> 
klein, schön (klein, mooi)

vergrotende trap: Er komt er achter het woord (net als in het NL) 
kleiner, schöner (kleiner, mooier)
Bij deze trap is het woordje dan belangrijk. In het Duits: als
hij is kleiner dan ik = er ist kleiner als ich.

overtreffende trap: Er komt am voor en sten achter
am kleinsten, am schönsten (het kleinst, het mooist)

Slide 5 - Slide

Uitzonderingen
Werkwoorden die eindigen op een d of t krijgen bij de overtreffende trap een extra e
breit (breed)
breiter (breder)
am breitesten (het breedst)



Slide 6 - Slide

trappen van vergelijking: weit
A
weit - weiter - weitesten
B
weit - weiter - weitsten
C
weit - weiter - am weitesten

Slide 7 - Quiz

Wat is de vergrotende trap van schnell?

Slide 8 - Open question

Wat is de overtreffende trap van
billig?

Slide 9 - Open question

Wat is de vergrotende trap van
lustig?

Slide 10 - Open question

Wat is de overtreffende trap van leicht?

Slide 11 - Open question

Slide 12 - Link

Overtreffende trap
Je kunt bijvoeglijk naamwoorden vergroten,
zoals lief - liever - het liefst.
Je kent drie niveaus van "overtreffende trap"
1. Positiv = stellende trap.
2. Komparativ = vergrotende trap.
3. Superlativ = overtreffende trap.

Slide 13 - Slide

De overtreffende trap (=Steigerungsformen)

Slide 14 - Slide

Maak de overtreffende trap van de volgende bijvoeglijk naamwoorden.

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Slide

Uitzondering (1/4)
A. vergrotende trap valt een -e weg
Wanneer?
-1-> bijvoeglijk naamwoord op -el;
  • dunkel - dunkler - am dunkelsten
-2-> bijvoeglijk naamwoord op -er met klanken -eu- en -au- ervóór.
  • teuer - teurer - am teuersten

Slide 17 - Slide

Uitzondering (2/4)
B. Overtreffende trap met -esten. Wanneer?
-1-> eindigen op een klinker (a, o, au, ...)
  • neu - neuer - am neuesten
-2-> eindigen op een -d of -t
-3-> eindigen op een sis-klank (s, ß, sch, z)
  • weiß - weißer - am weißesten
-4-> klemtoon op laatste lettergreep


Slide 18 - Slide

Uitzonderingen (3/4)
C. Korte bijvoeglijk naamwoorden, die een -a-, -o- of -u- hebben, krijgen vaak in de vergrotende én overtreffende trap een Umlaut.. Let op: NIET allemaal.

  • lang - länger - am längsten
  • jung - jünger - am jüngsten.

Slide 19 - Slide

Uitzonderingen (4/4)
D. Onregelmatige vormen (leer deze!)
  • groß - größer - am größten
  • gut - besser - am besten
  • oft - häufiger - am häufigsten
  • hoch - höher - am höchsten
(mehr im Handbuch)

Slide 20 - Slide

De vergrotende en overtreffende trap als bijvoeglijk naamwoord
Je vervoegt de woorden net zoals anders, dus met uitgangen.

X vergrotende trap: -er + uitgang
Waar is de kleinere auto?
= Wo ist das kleinere Auto?

X overtreffende trap: -st + uitgang
Waar is de kleinste auto?
= Wo ist das kleinste Auto?

Slide 21 - Slide

Vergleichungswörter (vergelijkingswoorden)

Slide 22 - Slide

Meine Schwester ist ...
als ich!
A
kleinest
B
kleinerest
C
kleiner
D
klein

Slide 23 - Quiz

Dein Buch ist ... als mein Buch.
A
neuere
B
neuer
C
neurer
D
neurer

Slide 24 - Quiz

Übersetze ins Deutsche:
Zij koopt meer dan hij.

Slide 25 - Open question

Übersetze ins Deutsche:
De villa is groter dan het huis.

Slide 26 - Open question

Übersetze ins Niederländische:
Die Weihnachtsferien sind länger als die Herbstferien.

Slide 27 - Open question

Ich esse ... Äpfel, aber noch ... Birnen. (gern). Vul alleen de woorden in.

Slide 28 - Open question

Geht es dir jetzt ... (gut) als gestern?

Slide 29 - Open question

Wo ist es ... in Griechland oder in Schweden?(warm)

Slide 30 - Open question

Was ist der ... Gipfel?(hoch, hoogste)

Slide 31 - Open question

meer dan genoeg

Slide 32 - Open question

jonger dan jij

Slide 33 - Open question

het liefst altijd

Slide 34 - Open question

Notiere 3 Sachen, die du in der Stunde gelernt hast.

Slide 35 - Open question

Diese Frage (1!) habe ich noch zum Thema.

Slide 36 - Open question

Hausaufgaben
Digital oder im Buch die Aufgaben machen.
timer
1:00

Slide 37 - Slide

Slide 38 - Slide

Slide 39 - Slide

Slide 40 - Slide