De schoenenwinkel
De schoenenwinkel
De centrale lijn van de les is: hoe verdient een schoenenwinkel aan verkopen, en hoe deel je de verkoopopbrengst in? Gebruik de winkel als herkenbaar voorbeeld uit het dagelijks leven.
Lesdoel
Ik kan uitleggen wat afzet, omzet, btw, inkoopwaarde van de verkopen en brutowinst zijn, en ik kan de brutowinst berekenen.
This item has no instructions
Verkopen in een winkel
Een winkel verkoopt producten aan klanten
Bij elke verkoop komt geld binnen
Dat geld heet de verkoopopbrengst
In deze les kijken we hoe je dat geld verdeelt
Leg uit dat verkoopopbrengst nog niet hetzelfde is als winst. Dat onderscheid is belangrijk voor de rest van de les.
Afzet
Afzet = het aantal verkochte producten
Bij een schoenenwinkel gaat het om het aantal verkochte paren schoenen
Afzet reken je in stuks of paren
Meer afzet betekent: meer producten verkocht
Maak het concreet met een voorbeeld, zoals: 'Vandaag verkoopt de winkel 8 paar schoenen. De afzet is dan 8.'
Winkelprijs en consumentenprijs
De prijs in de winkel heet de winkelprijs
De klant betaalt de consumentenprijs
In deze paragraaf bedoelen we met consumentenprijs: de prijs inclusief btw
Dat is dus het bedrag op het prijskaartje
Benadruk dat leerlingen in winkels meestal de prijs zien die de klant echt betaalt. Dat helpt bij het begrip consumentenprijs.
Btw
Btw betekent: belasting toegevoegde waarde.
Btw is een belasting op producten en diensten
De klant betaalt btw mee in de consumentenprijs
De winkel ontvangt dat bedrag wel, maar het is niet helemaal van de winkel
Daarom is btw iets anders dan winst
Houd het eenvoudig: de klant betaalt btw via de winkel. Ga niet diep in op aangifte of verschillende tarieven, tenzij dat nodig is.
Omzet
Omzet = alle verkoopopbrengst samen
Je berekent omzet met:
afzet × verkoopprijs
Voorbeeld:
10 paar schoenen × €80 = €800 omzet
Gebruik hier het woord verkoopprijs als prijs per product. Sluit aan bij het prijskaartje dat leerlingen kennen uit de winkel.
Wat betekent afzet?
de winst
de btw
de prijs
het aantal verkocht
Controleer of leerlingen afzet niet verwarren met omzet of prijs.
Vul de juiste woorden in
In een winkel heet het aantal verkochte paren schoenen de afzet. De klant betaalt de consumentenprijs. Alle verkoopopbrengst samen heet de omzet.
Deze oefening herhaalt de kernwoorden uit het eerste blok: afzet, consumentenprijs en omzet.
Waaruit bestaat de omzet?
De omzet van een winkelbedrijf wordt verdeeld in twee belangrijke delen:
inkoopwaarde van de verkopen
brutowinst
Dus: omzet is niet helemaal winst.
Dit is de kern van de paragraaf. Kondig aan dat de volgende slides deze twee delen apart uitleggen.
Inkoopwaarde van de verkopen
De winkel koopt schoenen eerst zelf in
De waarde van de verkochte ingekochte schoenen heet:
inkoopwaarde van de verkopen
Dit is dus wat de winkel voor die verkochte schoenen heeft betaald
Laat leerlingen zien dat het gaat om de ingekochte schoenen die echt verkocht zijn, niet om alle voorraad in de winkel.
Brutowinst
Brutowinst is het verschil tussen wat de winkel verkoopt en wat de winkel voor die verkochte producten heeft ingekocht
Brutowinst laat zien hoeveel overblijft vóór andere kosten, zoals huur of loon
Voorkom verwarring met nettowinst. In deze les gaat het alleen om brutowinst, dus nog zonder andere bedrijfskosten.
Brutowinst berekenen
Brutowinst = omzet - inkoopwaarde van de verkopen
Voorbeeld:
omzet = €800
inkoopwaarde van de verkopen = €500
brutowinst = €300
Schrijf de formule eventueel ook stap voor stap op het bord. Laat zien dat je altijd eerst omzet en inkoopwaarde nodig hebt.
Van verkoop naar brutowinst
afzet × verkoopprijs → omzet
omzet - inkoopwaarde van de verkopen → brutowinst
Zo zie je hoe een winkel van verkopen naar brutowinst komt.
Deze slide vat de hele rekenlijn samen. Goed moment om verbanden te herhalen: eerst aantal en prijs, daarna verschil met inkoopwaarde.
Waaruit bestaat de omzet?
btw en loon
afzet en prijs
inkoopwaarde en brutowinst
huur en winst
De goede koppeling is uit slide 7. Leerlingen kiezen soms afzet en prijs, maar dat is de berekening van omzet.
Maak de zin compleet
De winkel koopt schoenen eerst in. Wat de winkel betaalde voor de verkochte schoenen heet de inkoopwaarde van de verkopen. De brutowinst is omzet min deze inkoopwaarde.
Benadruk dat het gaat om verkochte schoenen, niet om alle schoenen in voorraad.
Hoe bereken je brutowinst?
omzet - inkoopwaarde
afzet × winkelprijs
omzet + btw
inkoopwaarde - omzet
Laat leerlingen de formule hardop herhalen: brutowinst = omzet - inkoopwaarde van de verkopen.
Begrippen
afzet - het aantal verkochte producten
btw - belasting toegevoegde waarde; belasting die in de prijs zit
winkelprijs - de prijs waarvoor een product in de winkel wordt verkocht
consumentenprijs - de prijs die de klant betaalt, inclusief btw
omzet - alle verkoopopbrengst samen
inkoopwaarde van de verkopen - wat de winkel heeft betaald voor de verkochte producten
brutowinst - omzet min inkoopwaarde van de verkopen
This item has no instructions