Werken voor de winst

De schoenenwinkel

1 / 18
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBedrijfseconomieVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 6

This lesson contains 18 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min
Report this lesson

Items in this lesson

De schoenenwinkel

De centrale lijn van de les is: hoe verdient een schoenenwinkel aan verkopen, en hoe deel je de verkoopopbrengst in? Gebruik de winkel als herkenbaar voorbeeld uit het dagelijks leven.

Lesdoel

Ik kan uitleggen wat afzet, omzet, btw, inkoopwaarde van de verkopen en brutowinst zijn, en ik kan de brutowinst berekenen.

This item has no instructions

Verkopen in een winkel

  • Een winkel verkoopt producten aan klanten

  • Bij elke verkoop komt geld binnen

  • Dat geld heet de verkoopopbrengst

  • In deze les kijken we hoe je dat geld verdeelt

Leg uit dat verkoopopbrengst nog niet hetzelfde is als winst. Dat onderscheid is belangrijk voor de rest van de les.

Afzet

  • Afzet = het aantal verkochte producten

  • Bij een schoenenwinkel gaat het om het aantal verkochte paren schoenen

  • Afzet reken je in stuks of paren

  • Meer afzet betekent: meer producten verkocht

Maak het concreet met een voorbeeld, zoals: 'Vandaag verkoopt de winkel 8 paar schoenen. De afzet is dan 8.'

Winkelprijs en consumentenprijs

  • De prijs in de winkel heet de winkelprijs

  • De klant betaalt de consumentenprijs

  • In deze paragraaf bedoelen we met consumentenprijs: de prijs inclusief btw

  • Dat is dus het bedrag op het prijskaartje

Benadruk dat leerlingen in winkels meestal de prijs zien die de klant echt betaalt. Dat helpt bij het begrip consumentenprijs.

Btw

Btw betekent: belasting toegevoegde waarde.


  • Btw is een belasting op producten en diensten

  • De klant betaalt btw mee in de consumentenprijs

  • De winkel ontvangt dat bedrag wel, maar het is niet helemaal van de winkel

  • Daarom is btw iets anders dan winst

Houd het eenvoudig: de klant betaalt btw via de winkel. Ga niet diep in op aangifte of verschillende tarieven, tenzij dat nodig is.

Omzet

  • Omzet = alle verkoopopbrengst samen

  • Je berekent omzet met:

afzet × verkoopprijs

  • Voorbeeld:

10 paar schoenen × €80 = €800 omzet

Gebruik hier het woord verkoopprijs als prijs per product. Sluit aan bij het prijskaartje dat leerlingen kennen uit de winkel.

Wat betekent afzet?

A

de winst

B

de btw

C

de prijs

D

het aantal verkocht

Controleer of leerlingen afzet niet verwarren met omzet of prijs.

Vul de juiste woorden in

In een winkel heet het aantal verkochte paren schoenen de afzet. De klant betaalt de consumentenprijs. Alle verkoopopbrengst samen heet de omzet.

afzet
consumentenprijs
omzet
brutowinst
btw
inkoopwaarde
winkelprijs

Deze oefening herhaalt de kernwoorden uit het eerste blok: afzet, consumentenprijs en omzet.

Waaruit bestaat de omzet?

De omzet van een winkelbedrijf wordt verdeeld in twee belangrijke delen:


  • inkoopwaarde van de verkopen

  • brutowinst


Dus: omzet is niet helemaal winst.

Dit is de kern van de paragraaf. Kondig aan dat de volgende slides deze twee delen apart uitleggen.

Inkoopwaarde van de verkopen

  • De winkel koopt schoenen eerst zelf in

  • De waarde van de verkochte ingekochte schoenen heet:

inkoopwaarde van de verkopen

  • Dit is dus wat de winkel voor die verkochte schoenen heeft betaald

Laat leerlingen zien dat het gaat om de ingekochte schoenen die echt verkocht zijn, niet om alle voorraad in de winkel.

Brutowinst

  • Brutowinst is het verschil tussen wat de winkel verkoopt en wat de winkel voor die verkochte producten heeft ingekocht

  • Brutowinst laat zien hoeveel overblijft vóór andere kosten, zoals huur of loon

Voorkom verwarring met nettowinst. In deze les gaat het alleen om brutowinst, dus nog zonder andere bedrijfskosten.

Brutowinst berekenen

Brutowinst = omzet - inkoopwaarde van de verkopen


Voorbeeld:

  • omzet = €800

  • inkoopwaarde van de verkopen = €500

  • brutowinst = €300

Schrijf de formule eventueel ook stap voor stap op het bord. Laat zien dat je altijd eerst omzet en inkoopwaarde nodig hebt.

Van verkoop naar brutowinst

afzet × verkoopprijs → omzet

omzet - inkoopwaarde van de verkopen → brutowinst


Zo zie je hoe een winkel van verkopen naar brutowinst komt.

Deze slide vat de hele rekenlijn samen. Goed moment om verbanden te herhalen: eerst aantal en prijs, daarna verschil met inkoopwaarde.

Waaruit bestaat de omzet?

A

btw en loon

B

afzet en prijs

C

inkoopwaarde en brutowinst

D

huur en winst

De goede koppeling is uit slide 7. Leerlingen kiezen soms afzet en prijs, maar dat is de berekening van omzet.

Maak de zin compleet

De winkel koopt schoenen eerst in. Wat de winkel betaalde voor de verkochte schoenen heet de inkoopwaarde van de verkopen. De brutowinst is omzet min deze inkoopwaarde.

in
inkoopwaarde van de verkopen
brutowinst
afzet
consumentenprijs
btw
omzet

Benadruk dat het gaat om verkochte schoenen, niet om alle schoenen in voorraad.

Hoe bereken je brutowinst?

A

omzet - inkoopwaarde

B

afzet × winkelprijs

C

omzet + btw

D

inkoopwaarde - omzet

Laat leerlingen de formule hardop herhalen: brutowinst = omzet - inkoopwaarde van de verkopen.

Begrippen

afzet - het aantal verkochte producten

btw - belasting toegevoegde waarde; belasting die in de prijs zit

winkelprijs - de prijs waarvoor een product in de winkel wordt verkocht

consumentenprijs - de prijs die de klant betaalt, inclusief btw

omzet - alle verkoopopbrengst samen

inkoopwaarde van de verkopen - wat de winkel heeft betaald voor de verkochte producten

brutowinst - omzet min inkoopwaarde van de verkopen

This item has no instructions